• Home
  • Waarom de Kerk niet het lichaam is van Christus – Deel 18

Hoofdstuk 29

Door een andere Jezus te hebben, hebben ze een andere geest waarvoor ze de Drie-eenheid creëerden.

Gods wet is heilige geest, de wet van de mens is onheilige geest!

Omdat de kerken de theologie hebben herschapen, betekent dit dat zij Gods theologie hebben uitgeworpen voor een theologie die meer naar hun eigen gelijkenis is.

Dit betekent dat de wetten, leerstellingen en theologie die zij hebben geschapen, in de plaats zijn gekomen van alles wat de Vader had gegeven als de drijvende “Weg” (pneuma, geest, spook) voor de regels van het leven. Het betekent ook dat de ware Heilige Geest is verstoten en vervangen door een mysterieuze entiteit die zij hebben uitgevonden als DE Heilige Geest, waardoor zij zich verzetten tegen de Heilige Geest en verblind zijn.

Het heeft geen zin dit te ontkennen, want zoals wij hebben gelezen, belijden de kerken dat zij theologie en leer hebben geformuleerd en dat hun wet in de plaats is gekomen van Gods wet, die niets anders is dan een machtsgreep.

Het belangrijkste instrument van die greep is het vertroebelen van Bijbelse waarheden door middel van de New Speak. Sinds de laatste apostelen en degenen die hen kenden stierven, werden de vroege christenen geleid door de volgende generatie bisschoppen, die onderling begonnen te kibbelen om de positie van hoofdbisschop. Tegen die tijd, zonder het gedrukte woord en originele teksten in overvloed, begonnen zij die de heerschappij over de gelovigen nastreefden, het “al doende te verzinnen” en wie kon hen uitdagen? Daarvoor moesten ze de betekenis van veel termen veranderen, waaronder de Heilige Geest. Zonder Gods wet als verklaring maakte de nieuwe theologie haar eigen interpretatie van de heilige geest. Zo begon een paar honderd jaar van interpretatieve strijd over wat de Heilige Geest betekende. De blinden kibbelen met de blinden. Toch is het zo eenvoudig en duidelijk in de Bijbel.

Voor de post-apostolische vroege christenen bestond een heidens drie-eenheidssysteem sinds de dagen van het oude Babylon en zelfs nog ouder. De vroege christenen hadden in het midden van de eerste honderd jaar (eeuw) slechts flarden van Gods leer en deze flarden waren aan elkaar geplakt met tradities die zij kenden. Het was niet gemakkelijk voor deze vroege christenen om te leven in een systeem van een pantheon van goden waarin hun buren christenen in het beste geval raar vonden, en in het slechtste geval een bedreiging voor hun goden. Uit het systeem stappen met slechts een vleugje van Gods woord betekende dat de bagage werd vermengd met het vleugje. Sommige historici noemen dit het tijdperk van de schaduwen vanaf 68 na Christus. Na verloop van tijd werd deze vermenging van religies gesystematiseerd en gestuurd door bisschoppen die even blind waren. Bisschoppen met slechte bedoelingen konden het goed doen in zo’n omgeving. Tegen de tijd van Hiëronymus waren de apostelen slechts een historische herinnering. Met Hiëronymus’ officieel geautoriseerde vertaling, kon de macht van de pausen worden veiliggesteld, nieuwe wetten werden gemaakt met bloedige autoriteit die daarbij paste.

De beste trucs zijn vaak de eenvoudigste. Een officiële truc, goedgekeurd voor een “bruikbare vertaling”, door in de vertalingen het woord “de” in te voegen, telkens als de woorden “heilige geest” verschenen, kon een hele nieuwe doctrine worden gemaakt. Door hoofdletters te geven aan woorden die geen hoofdletter zouden moeten zijn, werden woorden “namen” in onze moderne betekenis van het woord en hielp miskenning de vriendjes-theologie vorm te geven. Dit eenvoudige apparaat “HET” maakte het bestaan van een derde wezen mogelijk, waardoor de katholieke kerk de drie-eenheid schiep om aan te sluiten bij de vroegere heidense traditie. Die traditie werd gezien als bijbelwaarheid en meer dan duizend jaar later waren de dochters van de hoer (alle andere kerken) appels die niet ver van de boom vielen en de leer behielden.

De ware heilige geest, de in iemands hart levend gemaakte Wet van God, het pneuma des Levens, werd vervangen door een mysterieus spook of “spookachtig” personage waartoe men naast God en Jezus ook kan bidden. De kerken maakten niet alleen een andere Jezus, maar ook een andere heilige geest. Dit is vaak de valse geest die zovelen van de gedoopten beweren te ontvangen, en als ze echt goed gevuld zijn, eindigen ze ook met brabbelen. Maar als ze zich verzetten tegen Gods wet, verzetten ze zich tegen de Heilige Geest. Hun gevoelens zijn echt, want geloof en groepsverwachting door theologie stelt dat ze dit moeten krijgen anders zijn ze geen christen die vervuld is met “de Heilige Geest”. Als er niets gevoeld wordt, maskeren velen dat falen en handelen zelfs uit angst voor afwijzing door de groep. Voor degenen die voelen is het placebo-effect geest boven materie. Met genoeg hype, een zelfgeïnduceerd gevoel van opgetogenheid, vergelijkbaar met het winnen van een prijs, ontstaan er genotssensaties in de hersenen. In sektes worden acteurs ingeschakeld om de goedgelovigen te bespelen.

Veel predikers vertellen hun kudde dat ze de Heilige Geest moeten vragen hen te helpen bidden, alsof dit wezen oren heeft om te horen. Maar zelfs God zal hen niet horen als zij zijn wet niet gehoorzamen. Bidden tot dit spook is hetzelfde als bidden tot een Mariabeeld. Protestantse kerken mogen dit katholieke “ding” dan wel bespotten als ketterij, maar zij hebben hun eigen afgod. De Heilige Geest is geen schepsel of wezen waartoe je kunt bidden zoals tot een geest. Het is helemaal GEEN wezen. Het is geen wezen, maar een staat van zijn. Je aanvaardt Gods heilige wet of je verzet je ertegen. Heilige geest betekent heilig denken als gevolg van Gods wet. Daarom is het een aanfluiting te beweren dat je de heilige geest hebt terwijl je een boterham met varkensvlees eet. Het is godslastering. Iedereen die beweert met geest vervuld te zijn en gelooft dat we vrij zijn van Gods wet, is een van de drie mogelijkheden:

1- onwetend,

2- een dwaas, of

3- een bedrieger.

Kies vandaag welke van de drie je bent, en bekeer je dan. Dus denk nu aandachtig aan de volgende verzen.

“Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben; Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.” Markus 3:28-29

De Bijbel Vraag en Antwoord site zegt het volgende over deze verzen: Het heeft te maken met het ontkennen van het gezag en de macht van God. Marcus legt uit dat Christus reageerde op een beschuldiging van Zijn tegenstanders, die zeiden: “Hij heeft een onreine geest.”

Heel goed, maar dan doet de site er slecht aan om precies aan te geven wat “het ontkennen van het gezag van God” is. Dit moet toch duidelijk zijn? Ze verzuimen te zeggen dat het het weerstaan van Gods Wet is. Zijn wet is het kenmerk van zijn gezag. In dit geval, ook al is ‘de’ hier in de KJV toegevoegd, past het mooi zolang men begrijpt dat ‘heilig’ apart betekent, en ‘geest’ verstand (pneuma) betekent. Heilige geesten worden gevormd door heilige wegen die geleid worden door heilige wetten. Maar toch.

De Drie-eenheid wordt een officiële leer

De leer van drie Cappadocische theologen “maakte het voor het Concilie van Constantinopel (381) mogelijk om de goddelijkheid van de Heilige Geest te bevestigen, die tot dan toe nergens duidelijk was vermeld, zelfs niet in de Schrift” (The Harper Collins Encyclopaedia of Catholicism, “God,” p. 568). Let goed op, zelfs niet in de Schrift! Met andere woorden, ze hebben het verzonnen.

Het concilie nam een verklaring aan die zich in het Engels laat vertalen als: “Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde en van alle zichtbare en onzichtbare dingen; en in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, verwekt van de Vader vóór alle tijden. En wij geloven in de Heilige Geest, de Heer en Gever van leven, die van de Vader uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon wordt aanbeden en verheerlijkt, die door de profeten heeft gesproken …”. De verklaring bevestigde ook het geloof “in één heilige, katholieke [wat in deze context betekent: universele, gehele of volledige] en apostolische Kerk …”.

Met deze verklaring in 381 AD, die bekend zou worden als de Nicene-Constantinopolitische Geloofsbelijdenis, werd de Drie-eenheid zoals die vandaag de dag algemeen wordt begrepen het officiële geloof en de officiële leer over de aard van God.

Theologieprofessor Richard Hanson merkt op dat een resultaat van het besluit van het concilie “was dat de betekenis van het woord ‘God’ werd teruggebracht van een zeer groot aantal alternatieven tot slechts één,” zodat “wanneer de westerse mens tegenwoordig ‘God’ zegt, hij de enige, exclusieve [trinitaire] God bedoelt en niets anders” (Studies in Christian Antiquity, 1985, blz. 243-244).

Keizer Theodosius – die zelf slechts een jaar voor het concilie gedoopt was – was dus, net als Constantijn bijna zes decennia eerder, instrumenteel in het vastleggen van een belangrijke kerkleer. Zoals historicus Charles Freeman opmerkt: “Het is belangrijk te onthouden dat Theodosius zelf geen theologische achtergrond had en dat hij een formule als dogma invoerde die hardnekkige filosofische problemen bevatte waarvan hij niet op de hoogte zou zijn geweest. In feite hadden de wetten van de keizer het debat tot zwijgen gebracht toen het nog niet was opgelost” (p. 103). In alle eerlijkheid jegens de keizer, het was de taak van de bisschoppen om hem een gezonde goddelijke leer bij te brengen. De kerken faalden in deze taak.

Andere opvattingen over de aard van God verbannen

Omwille van de eenheid van de staat zou Theodosius, als er eenmaal een besluit was genomen, geen afwijkende meningen tolereren. Hij vaardigde zijn eigen edict uit dat luidde: “Wij bevelen nu dat alle kerken moeten worden overgedragen aan de bisschoppen die Vader, Zoon en Heilige Geest belijden als één majesteit, van dezelfde glorie, van één luister, die geen verschil vaststellen door heiligschennende scheiding, maar (die) de orde van de Drie-eenheid bevestigen door de Personen te erkennen en de Godheid te verenigen” (geciteerd door Richard Rubenstein, When Jesus Became God, 1999, p. 223).

Een ander edict van Theodosius ging verder in het eisen van naleving van de nieuwe leer:

“Laat ons geloven in de ene godheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, in gelijke majesteit en in een heilige Drie-eenheid. Wij staan de volgelingen van deze wet toe de titel van katholieke christenen aan te nemen; maar wat de anderen betreft, aangezien zij naar ons oordeel dwaze gekken zijn, besluiten wij dat zij gebrandmerkt zullen worden met de schandelijke naam van ketters, en dat zij niet zullen wagen hun conventen [vergaderingen] de naam van kerken te geven.

“Zij zullen in de eerste plaats de straf van de goddelijke veroordeling ondergaan, en in de tweede plaats de straf die ons gezag, in overeenstemming met de wil van de Hemel, zal besluiten toe te passen” (weergegeven in Documents of the Christian Church, Henry Bettenson, editor, 1967, p. 22).

De Drie-eenheid is een leer die vreemd was aan Jezus Christus, nooit onderwezen door de apostelen en onbekend bij de andere bijbelschrijvers. Toch werd ze op haar plaats gezet en werd de ware bijbelse openbaring over de Vader, de Zoon en wat de Heilige Geest werkelijk is, buitengesloten. Zij die het waagden het oneens te zijn met de edicten werden hard aangepakt.

Drie-eenheidsleer beslist met vallen en opstaan

Deze ongewone reeks gebeurtenissen is de reden waarom de theologieprofessoren Anthony en Richard Hanson het verhaal samenvatten in hun boek Reasonable Belief: A Survey of the Christian Faith, door op te merken dat de aanvaarding van de Drie-eenheidsleer het resultaat was van “een proces van theologische verkenning dat minstens driehonderd jaar duurde. In feite was het een proces van vallen en opstaan (bijna van raak en mis), waarbij de fouten lang niet allemaal beperkt bleven tot de on-orthodoxen. Het zou dwaas zijn de leer van de Heilige Drie-eenheid voor te stellen als zijnde langs een andere weg tot stand gekomen” (1980, blz. 172).

Van de Uniting Church of God lezen we:

“Amper twee decennia na Christus’ dood en opstanding schreef de apostel Paulus dat veel gelovigen zich al afkeerden naar een ander evangelie” (Galaten 1:6). Hij schreef dat hij te kampen had met “valse apostelen, bedrieglijke werkers” die zich op bedrieglijke wijze “voor apostelen van Christus uitmaakten” (2 Korintiërs 11:13). Een van de grootste problemen waar hij mee te maken had waren “valse broeders” (2 Korintiërs 11:26).

“Aan het eind van de eerste eeuw, zoals we zien in 3 Johannes 9-10, waren de omstandigheden zo nijpend geworden dat valse predikanten openlijk weigerden om vertegenwoordigers van de apostel Johannes te ontvangen en ware christenen uit de kerk excommuniceerden!”

Over deze verontrustende periode schreef Edward Gibbon, de beroemde historicus, in zijn klassieke werk The History of the Decline and Fall of the Roman Empire over een “donkere wolk die over het eerste tijdperk van de kerk hangt” (1821, deel 2, blz. 111).

“Het duurde niet lang voordat ware dienaren van God een gemarginaliseerde en verspreide minderheid werden onder degenen die zich christen noemden. Een heel andere godsdienst, nu gecompromitteerd met veel concepten en praktijken die geworteld waren in het oude heidendom (een dergelijke vermenging van religieuze overtuigingen staat bekend als syncretisme, wat in die tijd gebruikelijk was in het Romeinse Rijk), kreeg de overhand en transformeerde het door Jezus Christus gestichte geloof.”

Historicus Jesse Hurlbut zegt over deze tijd van transformatie: “Wij noemen de laatste generatie van de eerste eeuw, van 68 tot 100 na Christus, ‘Het tijdperk van de schaduwen’, deels omdat de somberheid van de vervolging over de kerk lag, maar vooral omdat van alle perioden in de geschiedenis [van de kerk] dit de periode is waarover wij het minst weten. We hebben niet langer het heldere licht van het boek Handelingen om ons te leiden; en geen enkele auteur uit die tijd heeft de lege plek in de geschiedenis opgevuld …”.

“Vijftig jaar na Paulus’ leven hangt er een gordijn over de kerk, waar we tevergeefs doorheen proberen te kijken; en als het eindelijk opkomt, rond 120 na Christus met de geschriften van de vroegste kerkvaders, vinden we een kerk die in veel opzichten heel anders is dan die in de dagen van Petrus en Paulus” (The Story of the Christian Church, 1970, blz. 33). (einde citaat).

Het eerste concilie van Nicea (Nicaea) was het eerste oecumenische concilie van de kerk, en het duurde tussen mei en augustus 325 na Christus.

Oecumenisch: Oikoumenikos:. Betekenis van de bekende beschaafde wereld. oikein “bewonen”, van oikos “huis, woonplaats” (van PIE-wortel *weik- (1) “clan”).

Het werd gehouden in Nicea, Bithynië in Anatolië, het huidige Turkije. De mensen van toen in Anatolië waren GEEN Turken. Zij waren blank; wat wij beschouwen als Europees, Turken zijn veel latere indringers die honderden jaren later de blanken verdreven. Ten tijde van het Concilie waren de mensen nakomelingen van de verloren Israëlitische stammen.

Volgens de verslagen van de bisschop van Nicea, Athanasius (bisschop van 298-373), waren er in totaal 318 bisschoppen aanwezig. Dit was het tijdperk van Pergamum (Wed tot Mog) toen de kerk trouwde met de staat en waar de wet van de staat de kerkwet werd. De kerk moest haar theologie verfijnen om alle gelovigen onder één door mensen gemaakte, overeengekomen geloofsbelijdenis te brengen. Net als hun Israëlitische voorouders hadden zij de Heilige Geest verworpen en zich verzet tegen de Heilige Wet als brandstof voor hun “lampen”. Zij die in die tijd de brandstof voor hun lampen hadden afgeworpen, konden nooit de waarheid zien. De brandstof was de levendmakende “geest” van de Wet, de lampen waren hun aardse lichamen. Zulke mensen zouden nooit een raad kunnen vormen om een weg in de waarheid te wijzen. Zonder het licht en de motivatie van Gods Wet hadden zij alleen maar redeneringen uit het hart van een ieder die daar het licht van de vurige Wet miste. Alleen een valse vlam kon worden aangestoken van valse inspiratie, onheilige geest.

Het concilie de Nicea werd opgericht om de hoeksteen van HUN rommelige theologie te ordenen met drie doelen:

1. het oplossen van de Melitiaanse controverse – die ging over het weer toelaten tot de Kerk van vervallen christenen (d.w.z. degenen die volgens hun normen wel of niet aan de eisen voldeden),

2. het vaststellen van de datum van Pasen per jaar (als ze de bijbel hadden gelezen en erin hadden geloofd, hadden ze het antwoord gevonden, zelfs een jongen die een ploeg trekt kan het uitrekenen, zoals William Tyndale het uitdrukte), en

3. om zaken te regelen die door Arius, de presbyter in Alexandrië, waren opgerakeld.

Punt 3 was de plaats waar wij de leer van de Drie-eenheid vandaan halen. De kern van de controverse voor de kerk was hoe Christus als goddelijke figuur in te passen in de godsdienst zonder het begrip monotheïsme te verstoren. Het is echt niet zo moeilijk, maar ze hadden al de gecorrumpeerde bijbel van Hiëronymus waarin woorden werden toegevoegd en New Speak werd gecementeerd en verzen werden onderwezen. Eén zo’n vervalst vers is de voorspelling van Jezus in het boek Jesaja die werd verdraaid om de kerk, en niet God, goed uit te laten komen. Dus met een valse basis gingen de “clowns” verder met de ene lege uitvinding na de andere.

De Sabellianen (naar de Libiër Sabellius) leerden dat er één enkele entiteit was, de prosōpon, bestaande uit God de Vader en Christus de Zoon.

De trinitaire kerkvaders, bisschop Alexander van Alexandrië en zijn diaken Athanasius, geloofden dat er drie personen in één god waren (Vader, Zoon, een heilige spookentiteit).

De Monarchianisten geloofden in slechts één ondeelbaar wezen. Hiertoe behoorden Arius, die presbyter was in Alexandrië onder de trinitarische bisschop, en Eusebius, bisschop van Nicomedia (de man die de term “oecumenisch concilie” bedacht en die beweerde dat er niet 318 bisschoppen waren, maar, 250 bisschoppen).

Toen Alexander Arius ervan beschuldigde de tweede en derde persoon van de Godheid te ontkennen, beschuldigde Arius Alexander van Sabelliaanse neigingen. Natuurlijk hebben we daar weer een door de kerk gecreëerd concept, de Godheid. Eigenlijk is dat een andere manier om te zeggen: de Drie-eenheid.

Geïndoctrineerde kerkleraren proberen ons wijs te maken dat de Godheid in de Bijbel staat met kreupele verklaringen zoals in de volgende artikelen. Eén artikel opent met:

Wat zei Jezus over de Godheid?

Laten we eens horen wat Jezus te zeggen heeft over de Godheid?

Dus het artikel brengt de lezers op het idee dat Jezus spreekt over de Godheid, dit is conditionering. De schrijver vertelt ons dat sommige gelovigen, “staande” in Jezus’ aanwezigheid, niet zullen sterven voordat zij het Koninkrijk van God “zien” of “begrijpen”.

“En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben.” (Lucas 9:27).

Wanneer we dit Schriftgedeelte lezen, moeten we in gedachten houden dat het “Koninkrijk van God” in ons is en onzichtbaar is (Lucas 17:20 -21). Het is geestelijk!”

Het koninkrijk is geestelijk? het is spookachtig? Lucas 17:20, 21 zegt niet dat het koninkrijk geestelijk is. Dat is een enorme vrijbrief voor de Schrift! Het is verkeerde kennis gepresenteerd alsof de bijbel dit zo stelt. Een dergelijke schaamteloze leer is bedoeld om Gods koninkrijk te verbergen voor de bloei en waar het thuishoort, op het land van de aarde. Deze verzen spreken niet over de Godheid, zij vertellen over het herstel van het Koninkrijk van God, echter over de tarwe en het zuurdesem zoals uitgelegd in de gelijkenissen van Christus: tarwe gemengd met zuurdesem, een uitdrukking van Pinksteren, om te beginnen op het Pinksterfeest, en dat deed het in 33 na Christus, en dat sommigen van de aanwezigen nog zouden leven als het komt.

Deze verzen vertellen dus niet over de “Godheid”, dus verzint deze theoloog gewoon een hoop onzin van ongerelateerde bijbelbegrippen. De logica is, dat als je ze niet kunt verblinden met briljantheid, je ze verbijstert met “bestuurlijke stront”, typisch voor een bediening van stront.

Het predikaat van mest vertelt ons dat het koninkrijk iets mystieks in ons is. Sorry, het koninkrijk is Gods rijk op aarde, het leeft in hen die een onbesneden hart hebben in de vorm van Gods “pneuma” de levende wet van de inwendige mens.

Hoe meer van het overblijfsel er is, hoe meer van het Koninkrijk er is. Wanneer uiteindelijk al De Rest door het Meer van Vuur gaat, dat geen brandende hel is, maar de dagelijkse leerschool van het uitbranden van de Wet van de Mens, zullen meer van De Rest Gods wet krijgen en gered worden van hun eigen wetteloosheid. Dan groeit het Koninkrijk als een lopend vuurtje na het begin van het derde Koninkrijksniveau.

De theoloog die het artikel schreef voegt er vervolgens aan toe: “Er is geen Godheid tenzij er het Koninkrijk van God is.” Waaraan ik toevoeg: Meer stront. Het Koninkrijk van God wordt gestolen of misbruikt door domkoppen die de Heilige Geest doden met hun bedieningen van mest.

Maar laten we deze theoloog en anderen zijn geloof meegeven, het lijkt erop dat er één vers is dat het woord Godheid bevat, althans in een bijbelvertaling:

“En doet hem een weinig van de Godheid ontbreken, en met eer en majesteit omgeeft hij hem.” Psalmen; 8:5 YLT

Is het niet schattig hoe deze moderne vertaling probeert gezaghebbend gewicht aan haar vers te geven door het KJV Engels, “compasseert” te gebruiken? Ik zeg, schaamteloze trucage! En nog meer schaamteloze verdraaiing, het beweert een letterlijke vertaling te zijn, Youngs Literal Translation. Toch, als we KJV Engels willen gebruiken, luidt hetzelfde vers in de KJV.

“Want Gij hebt Hem een weinig lager gemaakt dan de engelen, en Hem met heerlijkheid en eer gekroond” Psalmen 8:5 KJV

Nou, wat moet het zijn? Een beetje lager dan de engelen of een beetje van de Godheid missen?

De Septuagint/LXX geeft ons het woord: Αγγέλους [de] engelen, boodschappers; in dit vers. Dus hoe kan de YLT-bijbel dat in hemelsnaam vertalen als Godheid?

Maar de KJV gebruikt het woord Godheid wel in Handelingen 17:29.

“Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.” Handelingen 17:29

Dus ik moet me vergissen, het staat er voor iedereen, Godheid! Dit is de KJV! Maar in dit vers is het Griekse woord dat Godheid vertaalt “theios”, het betekent goddelijk, goddelijkheid, zelfs God en niet Godheid om drie-eenheid te betekenen. Het woord θεου is een vorm van het zelfstandig naamwoord. De naamval van deze vorm is genitief (wat gewoonlijk “van” betekent), het aantal is enkelvoudig en het geslacht is mannelijk.

Op dit punt kan het dus lonen om het vers te nemen, en er dan een ECHTE letterlijke vertaling van te maken, iets wat de Young’s Literal Translation om de een of andere reden niet kan. Misschien omdat Young’s vertaling een letterlijke kerkfraude is, wat het ook is en ik snel zal aantonen.

De ware letterlijke vertaling luidt:

“Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.” Handelingen 17:29 (Het woord “Stock” is letterlijk van γινομαι (ginomai) wat genealogisch nageslacht betekent).

De NIV doet het in dit geval beter dan de KJV…”Daarom moeten wij, omdat wij Gods nakomelingen zijn, niet denken dat het goddelijke wezen is als goud of zilver of steen een beeld gemaakt door menselijk ontwerp en vaardigheid.”

Eigenlijk luidt het WARE letterlijk vertaalde vers opgeschoond: “Daarom, aangezien wij Gods genealogisch nageslacht (van Abraham) zijn, moeten wij niet denken dat God is als goud of zilver of steen, een evenbeeld gemaakt door het ontwerp en de vaardigheid van de mens.”

Nogmaals, ik zie het woord Godheid helemaal niet in het vers bij woord of begrip.

Hoe kan Robert Young er zo naast zitten? Hij was tenslotte degene die de wereld ‘The Youngs Analytical Concordance of the Bible’ uit 1879 gaf. Interessant is dat hij er 40 jaar over deed, het nummer van de kerk in de woestijn, de prijs van het ontbreken van het geloof dat nodig is om Gods Wet in zich te hebben. Dan is er nog zijn bijbelvertaling van 1862 die de “thees” en “thous” gebruikt alsof dit zijn vertaling meer gewicht geeft. Toch heeft hij naar de mug gegrepen, door de kameel ingeslikt. De kameel was het zuurdesem van de Farizeeën. Zijn YLT-bijbel gebruikte de Masoretische tekst. De muggen waar hij zich aan wurmde waren “tijden”, dus gebruikte hij de tegenwoordige tijd waar andere vertalingen de verleden tijd gebruikten. Het leest als een “laten we klare” versie, “In het begin van Gods voorbereiding van de hemel en de aarde.”

“De aarde heeft afval en leegte gekend, en duisternis in de diepte…” Wat hij gaf was vals KJV taalgebruik in een moderne Engelse vertaling met een pseudo-intellectuele glans. Waarom de moeite nemen om dit te doen? Immers, de Rabbijnse Masora tekst gebruiken is zich wenden tot hen die de Zoon en dus de Vader niet hebben.

“Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet; wie den Zoon belijdt, heeft ook den Vader.” 1 Johannes 2 22,23

Net als Jerome voor hem, wendde Robert Young zich tot rabbijnse leugenaars. Zijn vertaling werd geïnspireerd door de middeleeuwse rabbijn Rashi of Shlomo Yitzchaki (1040-1105), die een Babylonische Talmoed-commentator was. Shlomo’s commentaar is overgeleverd in edities van de Talmoed die sindsdien zijn uitgegeven. Young publiceerde ook studiehulp voor het Oude Testament, publicaties met de toegevoegde vertalingen van de 613 voorschriften van Maimonies. De wat? Inderdaad, de wat. Een hoop lulkoek van de Sjefardische, Rabbijnse rechtsgeleerde Moses ben Maimo 1138 – 1204. Shlomo, een Talmoed liefhebbende en Jezus ontkennende “geleerde” werd in hoog aanzien geplaatst door Robert Young. Robert Young wendde zich tot hen die de Zoon van God ontkenden. Young kan onmogelijk tot het Lichaam van Christus behoren. Zijn werk was de zoveelste “dienstbare bijbel”, in zijn geval, voor zijn kerk. En zo rolde de rebellie door naar Gods Wet.

Met dat gezegd hebbende, lijkt het er toch op dat drie verzen in de KJV het woord Godheid gebruiken. Toch wordt het telkens vertaald uit woorden die betekenen: goddelijkheid van God, of Goddelijk, of God, of van God. De KJV was en is ook een “dienstbare bijbel”. Een door een kerk geleide site probeert het er brutaalweg op te laten lijken dat het woord Godheid 7 keer in de Bijbel voorkomt, zonder te vermelden welke, zodat de lezer vermoedelijk kan aannemen dat het de originele Griekse tekst is. Sommige vertalingen gebruiken het woord Godheid meer dan andere, maar het woord komt niet voor in de originele Griekse tekst. NERGENS!

De Griekse tekst maakt inderdaad duidelijk dat zelfs het woord Nakomelingen in Handelingen 17:29 beter vertaald had kunnen worden met stam, genealogisch nageslacht of zelfs verwanten. Maar meer dan 1800 jaar vervangingstheologie heeft “stam”, wat RAS betekent, niet veel te maken met multiraciale theologie.

Sinds het concilie van Nicea moest het concept van de Godheid en de Drie-eenheid doordrongen worden in de geesten van de rest. Zozeer zelfs, dat het voor hen die in de Godheid geloven ondenkbaar is dat het niet in Gods woord zou kunnen staan. De kracht van deze valse theologie berust uitsluitend op het gevoel van “mysterie”, iets wat alleen de priesterlijke macht zich met theologische prietpraat kan laten aanpraten. De hele zaak wordt te verbijsterend voor de schapen, die niets anders kunnen doen dan zich te wenden tot de honden die het wel schijnen te begrijpen, waardoor deze oplichters de sleutel tot iemands redding worden en welke prijs is die redding waard? 10 tot 30% van je inkomen? Wat dacht je van het doneren van je landgoed na je dood? Gehoorzaamheid aan wie zij zeggen dat je moet gehoorzamen, opdat je niet de toorn van God over je afroept, of branden in hun valse ‘hel’?

Toen het Heidense Rome “Christelijk” werd, moest het systeem van Macht maakt Recht veiligstellen. Er was overeenstemming nodig voor de door de kerk bestuurde staat en de keizer werd gebruikt om dit te bewerkstelligen. Nadat de “Staat” of Systeem of “Kosmos” of Wereld het pantheon van goden had afgeworpen waardoor het oude systeem onwettig werd, moest de nieuwe christelijke staat worden gezien als een gezonde en onverslaanbare entiteit. Keizer Constantijn bevond zich in de ongebruikelijke positie dat hij over de kerkleer moest beslissen, hoewel zijn christelijke wandel een gemengde traditie was met vleugjes christendom die rustten op eeuwenoude heidense tradities. Het jaar daarop liet hij zowel zijn vrouw als zijn zoon vermoorden, hoewel er officieel geen reden wordt gegeven. Voor haar dood had hij 6 kinderen en hij is later nooit hertrouwd. Hij liet zich op zijn sterfbed dopen, zoals gebruikelijk was voor veel heersers, om te voorkomen dat zij degenen die zij als een bedreiging zagen tijdens hun leven niet konden afmaken. Leiders met christelijke geloofsbrieven vonden dat zij na de doop niet in staat waren tegenstanders te doden. Tot zover de theorie om alleen te dopen als je denkt dat het goed is om dat te doen.

De Encyclopaedia Britannica stelt: “Constantijn zelf zat voor, leidde actief de discussies en stelde persoonlijk de cruciale formule voor die de relatie van Christus tot God uitdrukt in het credo dat door het concilie werd uitgevaardigd. Overdonderd door de keizer ondertekenden de bisschoppen, met slechts twee uitzonderingen, het credo, velen van hen zeer tegen hun zin” (1971 editie, Vol. 6, “Constantine,” p. 386).

Met de goedkeuring van de keizer verwierp het concilie de minderheidsopvatting van Arius en, omdat het niets definitiefs had om die te vervangen, keurde het de opvatting van Athanasius goed, eveneens een minderheidsopvatting, die van de Drie-eenheid. De kerk bevond zich in de vreemde positie dat zij vanaf dat moment officieel de beslissing van Nicea steunde om een geloof te onderschrijven dat slechts door een minderheid van de aanwezigen werd aangehangen. Daarmee lag de weg open voor meer gesleutelde bijbelvertalingen waarbij de schaamteloze het woord dat hun Drie-eenheid ondersteunt, dat woord, Godheid, kon invoegen.

De Drie-eenheid werd daarna als een feit beschouwd – het duurde meer dan driehonderd jaar na de dood en opstanding van Jezus de Christus voordat deze leer ontstond.

De voortdurende meningsverschillen waren soms gewelddadig en bloedig. De bekende historicus Will Durant schrijft: “Waarschijnlijk zijn er in deze twee jaar (342-3) meer christenen afgeslacht door christenen dan door alle vervolgingen van christenen door heidenen in de geschiedenis van Rome” (The Story of Civilization, Vol. 4: The Age of Faith, 1950, p. 8). Op gruwelijke wijze vochten en slachtten vele gelovigen elkaar af vanwege hun verschillende opvattingen over God, allemaal omdat de kerk haar eigen theologie had gemaakt en Gods wet aan het kruis had genageld! Niemand was immers blij met de wet van God van de inwendige mens, die aan het kruis genageld was.

Over de volgende decennia schrijft professor Harold Brown: “Tijdens de middelste decennia van deze eeuw, van 340 tot 380, lijkt de geschiedenis van de leer meer op de geschiedenis van hof- en kerkintriges en sociale onrust. De centrale doctrines die in deze periode tot stand kwamen, lijken vaak eerder tot stand te zijn gekomen door intriges of geweld van de menigte dan door de gezamenlijke instemming van het christendom onder leiding van de Heilige Geest” (p. 119).

De Drie-eenheid had alleen zin als mystieke of spirituele ervaring. Het was geen logische of intellectuele formulering, maar een fantasierijk paradigma dat de logica in de war bracht. Gregorius van Nazianzus maakte dit duidelijk toen hij verklaarde dat het nadenken over de Drie in Een een diep en overweldigend gevoel teweegbracht dat het denken en de intellectuele helderheid belemmerde.

“Niet eerder denk ik aan de Ene, dan word ik verlicht door de pracht van de Drie; niet eerder onderscheid ik Drie, dan word ik teruggevoerd naar de Ene. Wanneer ik aan een van de Drie denk, denk ik aan hem als het geheel, en mijn ogen worden gevuld, en het grootste deel van wat ik denk ontgaat mij”.

Geen wonder dat de Drie-eenheid voor veel westerse christenen gewoonweg verbijsterend is.

Kerkleiders als Basilius, bisschop van Caesarea, zijn broer Gregorius, bisschop van Nyssa, en Gregorius van Nazianzus, waren allen “geschoold in de Griekse filosofie”, met name die van Plato (ca. 429-347 v. Chr.). Plato geloofde in een goddelijke triade van “God, de ideeën, [en] de wereldgeest”, hoewel hij “deze triade nergens verklaarde of harmoniseerde” (Charles Bigg, Christian Platonists of Alexandria, 1886, p. 249).

Latere Griekse denkers verfijnden Plato’s concepten tot wat zij drie “substanties” noemden – de allerhoogste God of “de Ene”, waaruit de “geest” of “gedachte” en een “geest” of “ziel” voortkwamen. In hun denken waren het allemaal verschillende goddelijke “substanties” of aspecten van dezelfde God. Een andere manier om dit uit te drukken was als “goed”, de verpersoonlijking van dat goed, en het middel waarmee dat goed wordt uitgevoerd. Opnieuw waren dit verschillende goddelijke aspecten van datzelfde opperste goed – onderscheiden en toch verenigd als één.

Een dergelijk metafysisch denken was gebruikelijk onder de intellectuelen van de Griekse wereld en ging over in het denken van de Romeinse wereld van het nieuwtestamentische tijdperk en de daaropvolgende eeuwen. Toen de laatste van de apostelen begon af te sterven, begon een deel van dit metafysische denken de vroege christelijke gemeenschappen te beïnvloeden en te infiltreren – vooral door degenen die al begonnen waren een gemeenschappelijke basis te zoeken met heidenen en vervolgens anderen opriepen tot hun eigenzinnigheid, clubs van de ingeroepenen, en zo kerken stichtten.

Zoals Bijbelgeleerden John McClintock en James Strong uitleggen: “Tegen het einde van de 1e eeuw, en gedurende de 2e, kwamen veel geleerde mannen over van zowel het jodendom als het heidendom naar het christendom. Zij brachten hun Platonische ideeën en uitdrukkingen mee naar de christelijke theologische scholen” (Cyclopaedia of Biblical, Theological, and Ecclesiastical Literature, 1891, Vol. 10, “Trinity,” p. 553). Strong wees er terecht op, “Judaïsme en heidendom”, Plato en Rabbijnen waar de inspiratie vandaan kwam. Inspiratie betekent: ingeademd. Dit is niet de ingeademde, Levensadem (geïnspireerd woord van God), maar de geïnspireerde onzin van Griekse nonsens en Rabbijnse godslastering.

De taal die kerkleiders gebruiken bij het beschrijven en definiëren van de Drie-eenheid is in feite rechtstreeks ontleend aan de Platonische en Griekse filosofie. Het woord drie-eenheid zelf is noch bijbels noch christelijk. De Platonische term trias, van het woord voor drie, werd gelatiniseerd als trinitas – dit laatste geeft ons het Engelse woord Trinity.

Geen wonder dat de bijbel spreekt over de geest van de antichrist.

Geest: Moderne en gangbare betekenissen zijn verwant aan een spook. Dit is geworteld in het heidense geloof in spoken als een soort wezen na de dood. ‘Geest’ betekent in het KJV Engels echter hetzelfde als Geest en nooit ‘spook’. Daarom heeft de betekenis van Geest in de Engelse bijbels niets te maken met een spookwezen, maar wordt het altijd gebruikt als een ‘staat van zijn’, verwant aan het gebruik als in de “geest van sportiviteit” of als in tijdgeest (tijdgeest, de geest of het denken, of de manieren, of de zienswijze van de tijd). In de volgende hoofdstukken zal ik dieper ingaan op het Bijbels gebruik van het woord Geest. De Latijnse versie is Geest, vertaald uit het Grieks pneuma en Hebreeuws ruah. Ruah (waarbij de ‘h’ soms een keelklank heeft, verwant aan de Duitse ‘ch’ in het Duitse woord voor rook ‘Rauch’, het Nederlandse ‘Rook’, en het Engelse ‘Reek’.

In plaats van -of Anti-Antichrist

Voor de term “In plaats van” hebben we in het Grieks het voorvoegsel; “anti”. Anti betekent niet tegen als zodanig, maar betekent: in plaats van.

“In plaats van” de ware geheiligde, of in plaats van de ware Christus, hebben zij van de Kerken “een in plaats van geheiligde”; een andere Jezus, ja: anti + christus. Antichrist.

De kerken zouden verbijsterd zijn over deze uitspraak die impliceert dat zij in de kern een antichrist als verlosser hebben. Toch hebben zij een “andere Jezus” die hun leer leidt in plaats van de Jezus van de Bijbel die kwam om Gods wetten te versterken in plaats van een einde te maken aan Gods wetten zoals zij beweren. Nogmaals, in tegenstelling tot wat Paulus zei: “Ik verlustig mij in de wet van God van de inwendige mens”. De gelovigen verheugen zich er juist in om van de Wet van God bevrijd te worden. Als de Jezus die zij beweren lief te hebben hen toestaat zich zo te verlustigen als zij doen, dan is hun Jezus niet de Zoon van God, maar is hij “een in plaats van” de Zoon van God, een antichrist.

Toen Judeese Israëlieten (Israëlieten die in Judea woonden) uit de staatsgodsdienst van Judea werden geroepen om de Ecclesia – de uitgeroepenen – te worden, bleven velen gewoon synagogen gebruiken om in samen te komen, en als dat niet kon, vormden zij hun eigen ingeroepen bijeenkomsten voor anderen die net als zij in nood waren. Zij verlieten de staatsgodsdienst van Judea, maar alleen om anderen te vinden met wie zij zich konden verenigen in zelfgemaakte kerkstructuren. Al snel ontkenden zij binnen deze organisaties dat Jezus was gekomen voor de verloren schapen van het huis Israël. Deze Nicolatiaanse structuren hadden “bruikbare bijbels” nodig en niet de “lastige oorspronkelijke teksten” die vertaald moesten worden. Zij hadden een God nodig die een plan B had, waarin God zich realiseerde dat zijn wet eenvoudigweg te hoog gegrepen was voor hen om naar te leven. Als bewijs daarvan moest God min of meer zijn nederlaag toegeven, dus doodde hij zijn Zoon om de mensen hun eigen wetten te laten maken zolang ze God en zijn veranderde staat liefhebben, en alter ego “Jezus” en Gods derde alter ego, DE Heilige Geest. Dat is in feite het grondwerk van de kerken. Dat is de geest/spook of de staat van zijn van de antichrist, hun concept dat regeert in plaats van Jezus de Christus, regeert met een Jezus die naar hun evenbeeld is gemaakt. Zo’n apparaat kan nooit het Lichaam van Christus zijn.

Hoofdstuk 30

Alle schepselen in context, allen die gered zijn

Franciscus van Assisi zag “alle schepselen” als alles wat kan ademen en in de kerken is men het over het algemeen bijna eens met die “weg met de feeën” een katholieke broeder. Maar de bijbel is nuchterder. Alleen de “schepselen” die veroordeeld waren moesten gered worden van veroordeling. Alleen zij van het Abrahamitische verbond hadden de “wet tot Christus” – een wet die alleen een bepaalde soort van Gods schepping aanvocht en brak, steeds weer opnieuw. Zij deden dit tot hun veroordeling. De kerken en hun kuddes laten dit niet door de bijbel uitleggen. In plaats daarvan laat het kerkelijk apparaat hun predikers de verzen interpreteren om de hartafgoden van de kerk – met mystieke tradities – te ondersteunen. Toch schetst de bijbel een heel ander verslag dan de kerken geven.

Kijk naar het geschrift van Paulus in Romeinen 8. In dat hoofdstuk spreekt Paulus over de mens in gevangenschap als louter schepselen in slavernij. De slavernij of gevangenschap betreft hun zonden. De zonden zijn de “wetsovertredingen” die hen veroordelen. Het is Jezus die het overtreden van de wet bedekt door het betalen van de boetes die daarmee gepaard gaan. Daarmee beschermt Jezus de wetsovertreder tegen de toorn van de wet (straffen en boetes), hij haalt hen van de haak, waardoor de veroordeling weg is en niet de wet.

Hij verwijderde niet de wet, maar de veroordeling

Alleen degenen die door de wet veroordeeld kunnen worden, zijn degenen die onder de wet staan. Alleen degenen ONDER de wet kunnen door die wet veroordeeld worden. Daaruit volgt dat ALLEEN de Israëlieten onder die wet stonden. Alleen ZIJ waren ALLE schepselen onderworpen aan de veroordeling ervan. Geen enkel ander schepsel was dat: geen Eskimo’s, geen Zoeloes, geen Zebra’s, geen Roodrugspinnen, en sorry voor die nitwits St Frances van Assisi, noch de mussen tot wie hij preekte om te proberen hen te redden van een door de kerk bedachte vloek.

Natuurlijk wringt het kerkelijk apparaat zich uit die verklaring met een van haar andere miskende mythen. Het argument gaat dan terug naar Adam en Eva. Allen zondigden in hen. Ik herhaal wat al eerder is gezegd, Adam van Gen 2 was niet de eerste mens. Hij was de eerste redder van zijn volk waarvoor hij genoemd werd om hen te vertegenwoordigen. Een overwinnaar zorgt ervoor dat de rest niet verziekt wordt, zoals het geval was met Sodom en Gomorra. Hij faalde in zijn roeping en zo werd zijn volk veroordeeld om te leven zonder de passende levensadem, die moest wachten tot de tweede Adam, de Adamiet (Jezus) die niet alleen zijn volk vertegenwoordigde, maar die niet faalde om hen te beschermen tegen hun wetsovertredingen. Adam’s falen van Genesis 2 gebruiken, zoals het kerkelijk apparaat doet, om de redder van alle levende schepselen van de schepping te zijn, is oneerlijk, en een smerige oplichterij van Gods heilig woord.

Wanneer zij die onder Gods wet staan, veroordeeld worden, zijn zij inderdaad ellendige schepsels, omdat zij niet de middelen hebben om de schulden van de opgelopen boetes te betalen. Als men een grote boete krijgt, voelt men zich ellendig totdat deze betaald is. Als iemand die boete voor hem betaalt, is hij bevrijd. En dat is nog beter dan werken voor het geld om de boete te betalen als iemand anders dat voor je kan doen!

Men wordt duidelijk niet vrijgemaakt van die wet, maar alleen van de boete of de vloek van die wet. Daarom zijn alle schepselen die veroordeeld zijn, ALLE schepselen die niet langer veroordeeld zijn tot het betalen van de opgelopen boetes dankzij hun bevrijder, Jezus, die alle boetes op zich nam, waaronder de doodstraf.

Veel van die schepselen die toen onder die Wet waren, waren wijd en ver verspreid, en hadden geen kennis van deze schuldkwijtschelding, en zij moesten het weten. Daarom moeten wij ALLE schepselen bezoeken en het goede nieuws verkondigen dat zij niet langer veroordeeld zijn door de wet, hun boetes zijn betaald door Jezus. Dat is verdomd goed nieuws als ze geloven dat Jezus hun wetsovertredingen dekt, zo niet, dan zijn ze zeer ellendig. Het ergste is dat de gelovigen denken dat de wet is afgeschaft, maar als Gods wet is afgeschaft, dan is ook hun verlossing afgeschaft!

Zie het onder ogen. Geen ander ras stond onder die wet, geen ander ras werd door die wet veroordeeld, dus geen ander ras waren de ellendige schepsels aan wie wij moeten prediken om hen te redden van een veroordeling die zij nooit hadden. Dus geen ander ras had redding nodig. Geen ander ras had Jezus nodig!

Aan wie was het heil beloofd? Aan wie waren de verbonden?

Lucas 19:9 “En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.”

Redding is gekomen tot het huishouden van Zacheüs, om welke reden? Nou Jezus zei, omdat hij een nakomeling van Abraham is. Hij was een van die van het Abrahamitische verbond. Als hij dat niet was, dan was die redding niet gegeven. Geloven we graag de woorden van Johannes de Doper? Geloven wij dan zijn vader, die vervuld was van heilige geest, heilige geesten?

Ons wordt verteld in Lucas 1:67-73:

“En zijn vader Zacharias werd vervuld met heilige geest, en profeteerde, zeggende: Gezegend zij de Here God van Israël, want Hij heeft zijn volk bezocht en verlost, en heeft voor ons een hoorn des heils opgericht in het huis van zijn knecht David; zoals Hij gesproken heeft door de mond van zijn heilige profeten, die geweest zijn sinds de wereld (niet de planeet, maar het koninkrijkssysteem of rijk) begon: Dat wij gered zouden worden van onze vijanden, en uit de hand van allen die ons haten; om de barmhartigheid uit te voeren die aan onze vaderen beloofd is, en om Zijn heilig verbond te gedenken; de eed die Hij gezworen heeft aan onze vader Abraham…”.

Die “hoorn des heils” of “kroon of gezag des heils” is Jezus. Voor wie is Hij opgewekt om te redden? Het antwoord staat allemaal in die verzen, durven we te beweren dat deze verzen liegen? Lees het nog eens. De Here God is die van Israël(ieten) die hij bezocht en opnieuw verloste, van Israëlieten niet van andere rassen want die gingen nooit verloren aan een wet die zij nooit hadden. De kroon kwam van het huis van David, dus door afstamming van koning Jezus en niet van de papa of Napoleon of koningin Elizabeth, en het was voor “ons” …en wie is de “ons”? Zij van wie de vaders beloften kregen die gekoppeld waren aan het heilige verbond dat aan Abraham was gezworen.

De vader van Johannes sprak dus de waarheid, namelijk dat God de nakomelingen van ABRAHAM een verlosser gaf. Het was hun beloofd, dit zijn de wezens, de ellendige wezens die gered moesten worden van hun eigen zelfgemaakte wetten. Denk eraan hoe het volk tegen Samuel zei: “wij willen een koning (wetgever/god) zoals alle andere heidenen” en God dumpte, en toen weer: wij hebben geen koning (wetgever/god) dan Caesar en kruisigden Jezus. Toen kwamen de kerken die de wet van God kruisigden met kerkelijke theologie. Die ziekte van het afwerpen van Gods Wet vinden we bij al ons volk, behalve bij het Overblijfsel, want zij hebben alleen “behagen in de Wet van God van de inwendige mens”. De rest roept: Geef ons elke 4 jaar een president, geef ons een eerste minister om onze strijd te voeren, om onze wensen uit te voeren. Niet Gods wensen, hun wensen. Deze mensen veroordelen zichzelf, ze hadden redding nodig. God stuurde die redder naar dat ene volk, dat ene genetische bestand van zelfwetende wezens.

Jezus nam de veroordeling op zich van hen die veroordeling waard waren

Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat de Zoeloes niet de wetgever van Abraham, Izaäk en Jacob, noch de Eskimo’s, noch de mussen, noch de pinguïns, noch enig ander schepsel afstoten, omdat zij die nooit hebben gehad. Maar slechts één soort schepsel, en AL die schepselen van dat ene ras/soort zijn schuldig aan het afwijzen van de levende Wet van God. Ons volk, de Kelto-Sakson Israëlieten zijn de schuldigen. Jezus hoefde de boetes van hen die niet van Abraham waren niet te betalen, omdat de niet-Adamieten die specifieke wetten van de Bijbel nooit hebben overtreden. Jezus, de meest onschuldige die zelf geen boetes had, nam al onze boetes op zich en daarvoor werd hij als straf aan het kruis genageld, niet om ons te bevrijden van de wet van zijn Vader. Nogmaals, hoe hard het ook mag klinken, iedereen die leert dat de wet van God aan het kruis genageld is, heeft de geest van de antichrist en elke gemeenschap die zij opbouwen oogst eindeloze wervelstormen.

Aan de andere kant had Jezus, sprekend tot hen die God als hun wetgever wilden, het Overblijfsel, het volgende te zeggen:

“Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.” 1 Johannes 2:18, 19

Jezus had het over opstandige verwanten, niet over mystieke super-spookaanbidders. Hij had het over de ingeroepenen, zij die terug wilden naar een religieus gestructureerd apparaat.

Ook zei Jezus niet: DE antichrist. Het daar gebruikte woord spreekt van een mentaliteit, niet van een schepsel of een wezen. Johannes schreef deze woorden vóór de val van de staatsgodsdienst van Judea (die op het punt stond te vallen onder het gewicht en de macht van het Romeinse leger). Daarom was het de laatste tijd, de eindtijd van het Oude Verbond. Vóór die gebeurtenis keken velen die uitgeroepen waren terug naar waar zij vandaan riepen. Net zoals hun voorouders deden toen zij uit Egypte kwamen, ging Mozes weg, geweldig, breng het kerkelijk apparaat van Egypte terug in onze kudde. Daarvoor kregen ze 40 jaar.

Nu kwam Jezus. Toen was Jezus uit het zicht, geweldig, breng de structuur terug die ze leerden in de staatsreligie waar ze van “verbannen” waren. Daarvoor kregen ze 40 jaar maal 50, het getal van Pinksteren. Jezus gaf hen ruim de tijd om schoon schip te maken. Het was niet genoeg om in opstand te komen door de waarheid op te smukken met rabbijnse denkbeelden en Griekse filosofie, zij probeerden medegelovigen terug te brengen in een systeem waar de mens regels en wetten kan maken, hun eigen tradities. Zij legden de zandige basis van het wereldsysteem van kerkelijkheid naar het door de Farizeeën geschapen model waarvan zij in Judea geleerd en gewend waren. Een hoer was geboren!

In de verzen 16, 17 en 18 herinnert Johannes de volgelingen eraan NIET te vallen voor het Judeese staatsbestel dat zij zojuist hadden verlaten. Deze “smeerlappen” waren geloofsgenoten, leden van de Uitgeroepenen, de Ecclesia die teruggaat naar de door hen uitgespuwde kots. Dit waren geen heidenen als zodanig, maar geestverwanten. Toch waren zij er duidelijk niet gelukkig mee een Jezus te moeten gehoorzamen die Gods wet als wet had om te volgen. Dus verlieten zij de gemeenschap van de Uitgeroepenen. Zij verlieten de ekklesia die geen piramidale regelstructuur heeft. Zo gingen degenen die van het piramidesysteem hielden, UIT van de Uitgeroepenen en richtten hun piramidale religieuze systemen op, die Kerken worden genoemd, opnieuw werd een hoer geboren.

Uit al deze bijbelse getuigenissen moet het duidelijk zijn dat er twee kampen van Israëlieten zijn, en geen van beiden kan twee meesters dienen; zij kunnen niet twee rechtssystemen dienen.

“Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.” Matth. 6:24.

Degenen van de Rest beweren dat de Wet van God is afgeschaft, maar zeggen tegelijkertijd dat zij Gods Wet dienen door vast te houden aan de Tien Geboden, die zij interpreteren door hun vlees en niet door het “Pneuma”, de Geest, de adem van de Levende Wet. Daarom “(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.” (Romeinen 11:7-8)

Het Overblijfsel daarentegen heeft er niet naar gestreefd theologie te scheppen of te formuleren om de Tien Geboden te interpreteren. Gods wet, het woord, doet dat voor hen waarbij het de levensadem is waarin zij zich verlustigen in de inwendige mens.

Daarmee zijn de beloften aan de Israëlieten vervuld in hen, het Overblijfsel, vanaf 33 na Christus. De Rest echter zal het inzicht/de belofte krijgen zodra zij hun vuile vodden, zijnde de wetten van de mens of onheilige geest, afleggen. Dit kan alleen gebeuren wanneer hun wegen door vuur worden beproefd in de vuurzee, dat Koninkrijk waar Gods wet de wet is van die ‘aarde’ die symbolisch het Vuurmeer wordt genoemd. Het is niet bedoeld om te martelen, maar om de vreugde van de wet van God aan te wakkeren, zodat zij een nieuw schepsel kunnen worden, in nieuwheid van de levende wet.

Wordt vervolgd…

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>