• Home
  • Waarom de Kerk niet het lichaam is van Christus – Deel 10

Hoofdstuk 17

Maar hoe christelijk waren de Reformatoren en degenen die na Tyndale kwamen?

Naast Wycliffe en Tyndale kan men zich afvragen: hoe christelijk waren de hervormers en degenen die volgden? Met die vraag moet men bedoelen: van de Ecclesia. Natuurlijk is het gemakkelijk om terug te kijken door de tunnel van die tijd. Het gewicht van de tijd waarin men leeft kan niet over het hoofd worden gezien. Niettemin kan een verduisterd hart tegen zichzelf getuigen in elke tijd. En moord, al is het maar een moord, is in geen enkel tijdperk een mindere moord.

Johannes Calvijn

Een van de grootste namen van de Reformatie is Johannes Calvijn. Veel calvinisten zijn overtuigd van het goede van Calvijn, zoals te lezen is in de uitleg van Dr. Marcus J. Serven bij zijn commentaar op de werken van “dominee” Ronald S Wallace.

“Het zou gemakkelijk zijn voor degenen die vanuit de verheven positie van hun eigen eeuw terugkijken op de reformatie van Genève in de 16e eeuw, om overdreven kritisch te zijn. Daarom is Calvijn er vaak van beschuldigd de “dictator van Genève” te zijn, die er genoegen in schepte het leven van anderen te beheersen. Men mag echter niet vergeten dat Calvijns verklaarde doel was de samenleving te veranderen. Het licht van het evangelie moest de duisternis van de morele verdorvenheid uit de cultuur verdrijven. Dit betekende dat alle vormen van openbare dronkenschap, prostitutie, woeker, gokken en jeugdige losbandigheid radicaal aan banden moesten worden gelegd, en dat al deze veranderingen ten goede moesten komen aan het volk. Het ging er niet om het leven van de “vrije burgers van Genève” te beheersen, zoals de Libertijnen later deden voorkomen. Het ging erom het leven van het volk van Genève in overeenstemming te brengen met de voordelen van het evangelie en de sancties van de Bijbelse wet”. Dr. Marcus J. Serven.

Dr. Marcus suggereert dat Calvijns theocratie werd geleid door de Bijbelse Wet. Als iemand de maatschappij ten goede wil veranderen, dan kunnen de regels maar beter niet zelf bedacht zijn. Men moet leven en onderwijzen volgens de orakels van God, met andere woorden, zijn Heilige Wet die Gods sociale en burgerlijke wetten omvat en daar mogen geen andere wetten van de mens door vermengd worden. Om te zien of Calvijn een “dictator” was of een man die zijn best deed om de vruchten van Gods koninkrijk naar Genève te brengen, moeten we nagaan of dan de wet van God de wet was die hij inbracht. Bracht hij bijvoorbeeld Gods restitutiewetten voor diefstal in, of bracht hij wetten in die zijn eigen ideeën over goed en kwaad afdwongen.

“Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.” 1 Petrus 4: 11

“Deze is het, die in de gemeente (moet zijn de Uitgeroepen:- Ecclesia; εκκλησια ) in de woestijn was met de engel (moet zijn boodschapper; αγγελος) die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; die de levendige orakels ontvingen om aan ons te geven;” Handelingen 7:38

Het Griekse woord vertaald als Orakels, λογια, betekent: Kennis, geleerdheid, diepgaande geleerdheid, en in de context van de levende kennis van de studie van Gods Woord, zijn wet. Het is de levende wet die de “adem” is van wat het moet zijn; “van boven verwekt”…het is heilige pneuma, heilige geest. Deze woorden in 1 Petrus en Handelingen in het Nieuwe Testament verwijzen niet naar de Evangeliën als een Nieuwe Wet, dit verwijst naar de Wetten die al gegeven zijn, namelijk waar? Antwoord: De oudere boeken die wij het Oude Testament noemen. Dus geen enkele Reformator die de Schriften doorzocht en dat deden, had een excuus, behalve dat ze veel oude kerkelijke bagage hadden, als ze er niet in slaagden Gods wet te onderwijzen en na te leven. Om de wereld uit de corruptie te verbeteren, is Gods wet de vuistregel voor verbetering, niet de theologie van de mens, noch trouwens enig stel regels dat de mens verzint voor sociale orde, zelfs als die beperkt blijven tot interpretaties van de 10 geboden en de evangeliën.

Met dat in gedachten, laat de geschiedenis Calvijn’s getuige zijn, en laat hem ons vertellen wat hij dacht van Gods wet. Per slot van rekening volgt het grootste deel van gereformeerd Europa Calvijn en Luther. Dus wat dacht hij, en ook Luther, van Gods wet voor de samenleving, en dus voor het koninkrijk of van het koninkrijk? Helaas beweerden kerkleiders sinds Origenes 185-253 AD dat de Evangeliën Gods “Nieuwe Wet” voor christenen waren, en dit standpunt was ook dat van Calvijn en Luther. Er werd verwezen naar het Oude Testament, maar vooral naar de Psalmen, en de Mozaïsche wet werd gezien als gegeven aan de zogenaamde Joden.

Calvijn was nog onwilliger dan Luther in het toepassen van de theocratische wetten van Israël op wat hij noemde, moderne staten. Calvijn ging zelfs verder dan de katholieke theoloog Thomas van Aquino (125-1274) wat betreft het opheffen van de politieke wetten van God. Bijvoorbeeld, hoewel de middeleeuwse kerk de praktijk van woeker (geld lenen tegen rente) verbood als een doodzonde, en zelfs Luther zijn verzet tegen deze praktijk baseerde op Exodus 22:25, verwierp Calvijn dit argument: “Het is overduidelijk dat het oude volk woeker verboden was. Daaruit volgt dat woeker nu niet onwettig is, behalve voor zover het in strijd is met de billijkheid en de broederlijke verbondenheid.” Dit onzinnige standpunt dat hij innam wordt tot op de dag van vandaag in alle protestantse landen levend en wel gevonden. In Nederland is het woord voor witwassen “woeker”. Maar dat heeft een vieze betekenis, dus om die te omzeilen hebben ze de betekenis gewoon omgevormd tot: overmatige winst. Natuurlijk, wie bepaalt wat buitensporig is? Het hart misschien?

Woekerrente is de dood van een natie. Als de hele wereld uit tien blokken bestond, kun je deze uitlenen, maar je kunt niet verwachten dat de lener elf blokken terugbetaalt, tenzij de lener een stukje van elk van de tien blokken heeft afgehakt om er een elfde van te maken. Dat is dan de oorzaak van de inflatie. Calvijn schijnt woekerrente niet onredelijk te hebben gevonden. Woeker is een dodelijke zonde en wee degenen die de mensen leren zondigen.

“Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmede men woekert.” Deut. 23:19

“Geeft op woeker, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn!” Ezechiël 18:13.

Dit zou ons moeten vertellen dat Calvijn weliswaar een groot bolwerk was tegen de katholieke kerk, maar dat hij geen “Overblijfsel” man was. Hij had zich moeten verheugen in de levendige orakels van God van de Nieuwe mens of vernieuwde innerlijke mens door de heilige geest. Wist hij dat hij een Israëliet was? Misschien, misschien niet. Uit zijn eigen woorden blijkt dat hij dat niet wist en dat hij de Joden ten onrechte gelijkstelde aan een ras en niet aan een sekte die de sinds Origenes vastgelegde tradities volgt. Met deze verkeerde veronderstelling hield hij de mythe in stand dat de Joden Israëlieten zijn.

Calvijn schreef: “Want de bewering van sommigen, dat de wet van God, door Mozes gegeven, onteerd wordt wanneer zij wordt opgeheven en er nieuwe wetten voor in de plaats komen, is volkomen ijdel.” “De politieke wetten van Mozes kunnen door ons niet opgeheven worden, omdat ze ons nooit gegeven zijn.”

Hiermee probeert hij dus iedereen ervan te overtuigen (en misschien is hij er zelf ook wel van overtuigd) dat het “wij” een ander volk is dan de Israëlieten. Daarom heeft hij in sommige opzichten gelijk als hij beweert dat de wetten zoals die door God via Mozes zijn gegeven, niet geschikt zijn voor “ons”. Dit is vervangingstheologie. Als de theologie echter waar is, dan zouden de zegeningen van de Joden toch ook de zegeningen van de Wet omvatten, als de zegeningen van de Joden aan de Kerk (en daarna aan alle kerken) zijn gegeven? Dan zou de door Mozes gegeven Wet toch zeker een must zijn geweest voor de Kerk? Oh verdorie! Betekent dit dat wij onze eigen interpretaties en wetten niet mogen maken? Wacht eens even. Laten we doen alsof dat deel van onze “logica” geen deel uitmaakt van de Vervanging Theologie anders kunnen we sommigen van ons niet gelijker maken dan anderen en rijker en het opslokken van land, huizen, bedrijven en dochters die we begeren van hen die het elfde blok niet kunnen terugbetalen. Is het een wonder dat degenen die nooit Gods wet kenden, maar de hypocrisie van de kerkelijke theologie haatten, tot de hardste critici behoorden?

Calvijn voegt daaraan toe: “Want de Heer gaf die wet niet door de hand van Mozes om onder alle volken te worden verkondigd en overal van kracht te zijn; maar toen Hij het Joodse volk in bewaring, verdediging en bescherming had genomen, wilde Hij ook speciaal voor dat volk een wetgever zijn; en zoals een wijs wetgever betaamt, had Hij een bijzondere zorg voor dat volk bij het maken van zijn wetten” John Calvin (Instituten, 4.20.16).

Het is vermeldenswaard dat Calvijn zegt: “Want de bewering van sommigen, dat de wet van God, door Mozes gegeven, onteerd is wanneer zij wordt opgeheven en er nieuwe wetten voor in de plaats komen, is volkomen ijdel.” Want sommigen, betekent dat er mensen waren die wisten dat de wet van God niet mag worden opgeheven. Ik zeg de lezer, op basis van de wetenschap wie zij zijn die zich in Gods wet zouden verlustigen, dat de “sommigen” alleen die van het Overblijfsel in zijn tijd kunnen zijn. Elk van de 7 groeifasen van het koninkrijk sinds Pinksteren AD 33 werd begonnen door het Overblijfsel, de Uitgeroepenen, maar telkens namen de Ingeroepenen het over. De “sommigen” zouden de veranderingen hebben zien aankomen en zich hebben uitgesproken, maar werden afgemaakt omdat hun pleidooi voor Gods Wet “volkomen ijdel” werd genoemd.

Als zodanig had Calvijn ruzie met de wederdopers, maar misschien ook met anderen. Calvijns scherpste afkeuring van het beroep op het oudtestamentische burgerlijk recht voor moderne staten richtte zich tot de radicale wederdopers: “Ik zou deze zaak liever in alle stilte hebben laten rusten, als ik niet wist dat velen hier gevaarlijk dwalen,” schrijft hij. “Want er zijn er die ontkennen dat een gemenebest naar behoren is samengesteld als het politieke systeem van Mozes wordt verwaarloosd en wordt geregeerd door de gemeenschappelijke wetten van de naties. Laat andere mensen maar bedenken hoe gevaarlijk en opruiend deze opvatting is; het zal voor mij genoeg zijn om te bewijzen dat ze onjuist en dwaas is” (Instituten, 4.20.14). Als natuurlijk, is rechtvaardigheid noodzakelijkerwijs “hetzelfde voor iedereen”. “Vandaar dat alleen deze rechtvaardigheid het doel, de regel en de grens van alle wetten moet zijn. Welke wetten ook volgens die regel, gericht op dat doel en gebonden aan die grens worden opgesteld, er is geen reden om ze af te keuren, hoezeer ze ook mogen verschillen van de Joodse wet, of onderling” (Instituten, 4.20.16).

Calvijn zegt dat een gemenebest (christelijke republiek) niet bestuurd kan worden door Gods oudtestamentische burgerwetten en dat het gevaarlijk is om dat te willen en dat het opruiing is! Dit betekent ook dat alle wetten die door de mens worden gemaakt om een gemenebest aan te passen en die misschien niet passen bij de OT-burgerwetten, aanvaardbaar zijn. Sorry, maar dat is ketterij en zeer opruiend.

Wanneer de wet van God wordt vervangen door “gewone wetten van naties” en wordt aangevuld met een zelfbenoemde leider die zijn eigen interpretaties toevoegt, hebben we het begin van een theocratie op weg naar tirannie. Dit komt omdat het vertrouwt op de vleselijke interpretaties van de mens van een geselecteerd deel van Gods wet. Dit is wat de katholieke kerk deed, dus de hervormers hadden alle waarschuwingstekens moeten zien. Zij werden hervormers genoemd omdat zij probeerden de vervangingstheologie te hervormen. Maar die kan niet worden hervormd. Het moet verwijderd worden, volledig! Zoals allen die daarvoor kwamen, geloofden de Reformatoren dat de Tien Geboden en de Evangeliën de Nieuwe Wet waren. Maar dat waren nooit Gods wetten en Gods burgerwetten waren nooit “aanvullingen”. De laatste waren in plaats daarvan verklaringen bij de samenvattende weergave van Gods Wet, namelijk de Tien Geboden. Het resultaat van hun beknopte redenering is gedocumenteerd door hen die Calvijns theocratie niet zagen zitten.

Uit, “de Reformator Paus van Genève, en zijn Protestantse Koninkrijk op Aarde”:

“Calvijn was een harde, onderdrukkende, intolerante man, die de titel ‘Paus van Genève’ niet verdiende voor het prediken van de waarheid van het Evangelie, of voor het liefhebben van zijn ‘broeders’ en zelfs ‘zijn vijanden’, zoals Jezus gebood lief te hebben. Johannes Calvijn stond erop dat zijn onderdanen hem zouden aanspreken met “Meester Calvijn”. Deze “eretitel” verwees ongetwijfeld naar de slaaf/meester-mentaliteit van het feodale systeem, dat toen nog het middeleeuwse Europa beheerste. Natuurlijk komt het ook van zijn kernleer, de voorbestemming, die stelt: “God stierf alleen voor de uitverkorenen, [de ‘elite’ of leden van het calvinisme].” R.H. Tawney

Ten eerste stierf God niet. Dat deed Jezus, en hij deed dat inderdaad voor de Uitverkorenen, die de uitgeroepenen waren, de Ecclesia, en niet de ingeroepenen, die de Kyiake of Kerk zijn. Zoals alle geroepenen geloven zij dat zij de Uitgeroepenen zijn. Toch zijn zij allen geroepen in een systeem dat Gods Wet “volkomen ijdel” noemt. Dit betekent op zichzelf al dat zij NIET de Ecclesia zijn, omdat zij zich niet verlustigen in de levende Wet van God, maar kiezen voor een open deur naar de wetten van het vlees, de wetten van de bodemloze put, de wetten van het verwekken van beneden, de wetten van het hart dat dieper is dan alle dingen. “Het hart is dieper dan alle dingen, en het is menselijk (of “Hij is een mens”) en wie kan het (of “Hij”) kennen. Ik, de HEER onderzoek de harten en Ik toets de genegenheden om aan ieder te geven naar zijn weg en naar de vrucht van zijn bedrijf.” Jeremia 17:9,10 (Septuagint).

Uitzoeken wie de Uitverkorenen zijn op basis van kerkelijke redeneringen is een glibberige toestand. Deze logica van wie uitverkoren is, komt in alle kerkgenootschappen in mindere of sterkere vorm voor, en in alle politieke stromingen. Van de Anabaptisten wordt vaak gedacht dat zij “aan de ene kant” staan, zoals de Menonieten en de Amish, maar ook zij hadden een radicale uitloper, de Batenburgers, genoemd naar Jan van Batenburg, een sekte die geloofde in het onderwerpen van ongelovigen aan het zwaard, zij die niet tot hun sekte behoorden omdat zij de Uitverkorenen waren. Ook de Mormonen hebben een donkere vlek in hun geschiedenis, een gebeurtenis die bekend staat als de Mountain Meadows Massacre van september 1857, waarbij de Mormonen 120 leden van een karavaan op weg naar Californië vermoordden omdat de Mormonen de uitverkorenen waren. Joden doodden de geroepen christenen en Romeinen, zoals we in het NT lezen, omdat zij “de uitverkorenen” waren. Heidense Romeinen doodden christenen omdat de heidense Romeinen de uitverkorenen waren, en zo kan de lijst nog wel even doorgaan. Hoe men ook redeneert, alleen God en Jezus bepalen wie de uitverkorenen zijn.

Calvijn beschreef zijn zelf opgerichte ‘protestantse koninkrijk op aarde’ als volgt; “de kerk, de staat en de gemeenschap waarin wij leven, moeten niet slechts een middel tot persoonlijke verlossing of een middel tot tijdelijke behoeften zijn, het moet een Koninkrijk van Christus zijn!”. Dat klinkt prachtig, maar om van Christus te zijn moet het zich onderwerpen aan de Wet van de Vader van Jezus de Christus, zodat God onze Vader kan zijn.

Harde criticus van het op woeker gebaseerde protestantisme R.H. Tawney schreef: “In dit koninkrijk moeten individuele taken worden uitgevoerd door mensen die zich ervan bewust zijn dat zij altijd in het oog van hun grote taakmeester staan, [in deze context betekent dit dat zij altijd in de gaten worden gehouden door Calvijn en zijn dienaren, die zichzelf tot goden en christenen over hen hebben aangesteld,] en het hele weefsel wordt voor corruptie behoed door een strenge en allesomvattende [kerkelijke] tucht.”

Het Woord van God verklaarde echter in 1 Thessalonicenzen 5:23: “De God van de vrede zelf, [zal] u bewaren, geest, ziel en lichaam, [tot] de komst van onze Heer Jezus Christus.” Niet Calvijn of welke kerk of man dan ook.

Tawney schreef: “Om alle onbijbelse wetten en handelingen van Calvijns koninkrijk hier op aarde te motiveren, schreef hij in ‘De Instituten’ een Protestantse Summa; De kleinste handeling moet onder de ijzeren controle van een universele regel worden gebracht!” “…onder Calvijns bewind genoten de burgers van Genève geen persoonlijke privacy en hij veranderde Genève in een transparante “stad van glas.” Bedrijven, kerken, vrienden en families leefden allemaal onder voortdurend toezicht van een “geestelijke,” calvinistische politiemacht die iedereen die te hard lachte, te veel dronk, enzovoort, als “schandelijke burgers” beboette of uit de stad zette.

“Hij begon met zijn “ijzeren controle van de universele heerschappij” te verwijzen naar het calvinisme, dat hij snel vestigde als “de onbuigzame wet van het land;” eerst in Zwitserland en daarna in alle andere protestantse landen wereldwijd. Protestantse kerken regeerden uiteindelijk over koningen, koninginnen, presidenten, nationale en gemeentelijke overheden, burgerlijke besturen, markten, prijzen en monetaire belangen.

Tawney is ertegen dat de kerken op alle terreinen heersen. Was het echter de Ecclesia, dan zou het een heel goede zaak zijn. Op zich dus niet slecht, als Gods Wet de norm was, dan meer ervan. Maar, zoals Tawney schrijft: “In Calvijns “Koninkrijk van Christus” hield “volledige wet en orde” ook in “het systematisch gebruik van marteling, de onthoofding van een kind omdat het zijn ouders sloeg, en de geregistreerde verbranding van honderdvijftig ketters in zestig jaar. Het kenmerk van Genève was niet alleen de genadeloze onverdraagzaamheid, het was de poging om de [zogenaamde] ‘wet van God’ [of in werkelijkheid, de wet van Johannes Calvijn] te laten prevaleren [in elk aspect van de samenleving,] die een totale claim op de mensheid vormde…” [P. 126, ‘Religion and the Rise of Capitalism,’ R.H. Tawney].

Natuurlijk waren deze meningen van Tawney geworteld in zijn eigen perspectief op de gebeurtenissen in Genève van zijn tijd, toen hij de Grote Oorlog meemaakte en 30 uur gewond had gelegen in niemandsland tussen de loopgraven van de hel, een oorlog die werd gezegend door de kerken aan beide zijden en een oorlog die het resultaat was van de mislukte Heilige Alliantie van bijna 100 jaar eerder, in 1815, waarin werd overeengekomen dat het christendom nooit meer oorlog tegen zichzelf zou voeren. De hypocrisie van het Christendom had zichzelf blootgesteld aan mensen als Tawney.

Zijn generatie zag de gruwel van de ondergang van de eeuwigdurende vrede van het christendom, vastgelegd in de Heilige Alliantie, een verbond waarin het christendom de hertogen van Edom de lakens uitdeelde en Gods wetten als volkomen ijdel werden beschouwd. Hij maakte de vleesmolen van de kerkelijke trots mee, waar 11 tot 16 miljoen Kelto-Saksons zinloos werden gedood als de “Glorieuze Doden”, een zieke term die op de vele daarna geplaatste monumenten voor de gevallenen staat. “Glorieuze Doden”, er is geen Glorie in de dood, alleen corruptie. De Kelto-Saksons die verder leefden, zagen de dood van hun cultuur, en al het voorwaartse uit deze as herrijzen. De periode die volgde ontwortelde alle ideeën over de Kerk als zijnde van enig heil of van enig nut voor de samenleving. De ontaarde roerige jaren 20, waarin alles kon: vrouwen werden flappers met hun groteske Bop-kapsels, mannenkleding aangepast aan vrouwen, voodoomuziek via Jazz en Ragtime en het weerbarstige, ongezonde Cabaret werd steeds meer een Jiddisch toneel. Deze toneelcultuur verheerlijkte “ponzigheid” en absurde “Nancy Boy” muziek. Kunst, architectuur en literatuur deden het niet beter en kwamen allemaal onder de invloed van de Roden van Edom, in gelijke pas met de opkomst van de “nieuwe antwoorden” van Edom’s Beest der Aarde. Dit beestachtige systeem kwam met zijn eigen heilsmiddelen met zijn lokkende politieke ismen, die allemaal niets anders zijn dan vergiftigde appels en bedrieglijke kussen van de vijand.

Tawney kan wel tegen Calvijn zijn, maar ook hij was het product van de kerkelijkheid.

Het volgende werd over hem gezegd: “Achter de lijst van belangrijke publicaties ging de geest schuil van een man die onvermoeibaar regering, arbeidersbeweging, kerk en academische gemeenschap leidde naar een nieuwe maatschappij, tegelijk volledig democratisch, bewust socialistisch en volledig in overeenstemming met het christelijk geloof. In effectieve intellectuele termen is het twijfelachtig of iemand anders op afstand een vergelijkbare invloed had op de evolutie van de Britse samenleving in zijn generatie.” Adrian Hastings.

Tawney was een anglicaanse protestant die geen dubbele standaard zag in zijn toetreding tot de duistere en snode Fabian Society in 1906. Het Laodicea-stadium van de kerkgeschiedenis werd ingeluid na haar volslagen falen in het tonen van broederlijke liefde in het Philadelphia-stadium, toen het christendom erop gebrand was zoveel mogelijk Duitse broeders af te slachten en hen spottend als Hunnen te ontmenselijken. In werkelijkheid waren het Anglicaanse Kelto-Saksons die Lutherse Kelto-Saksons afslachtten. Beide partijen leefden volgens de Tien Geboden en de Evangeliën. Maar beide partijen beweerden dat de wetten van God nutteloze aanvullingen of volkomen ijdel waren, zelfs gevaarlijk en opruiend. Welnu, zij hadden een geweldige oude tijd toen zij aan flarden werden geslagen onder de door de Kerken gezegende invullingswetten van de mens.

Tegenover deze afkeer van de kerken voor de ismen van het vlees hadden de kerken nog steeds geen berouw over het feit dat zij Gods burgerlijke wet niet wilden voor de landen waarover zij de scepter zwaaiden. Jezus had geoordeeld hen uit te spuwen en het was onvermijdelijk dat hasjcritici zoals Tawney zouden opstaan toen het Christendom in de as lag aan het einde van WO1.

Natuurlijk is er een andere kant aan Calvijns heerschappij, zoals verteld door de Geneefse Stichting.

“Dankzij de hervormende inspanningen van William Farel, Pierre Viret en Johannes Calvijn werd deze strategische stad bevrijd van geestelijke duisternis en werd zij een plaats van blijvend licht. In wezen werd de stad getransformeerd door de kracht van het Evangelie. Daarom kozen de inwoners van Genève de uitdrukking Post Tenebras Lux (“Na de duisternis, licht!”) als stadsmotto. De Schotse hervormer John Knox beschreef Genève als volgt: “[het] is de meest volmaakte school van Christus sinds de dagen van de Apostelen. In andere plaatsen wordt Christus oprecht gepredikt; maar manieren en godsdienst die zo oprecht hervormd zijn, heb ik nog in geen enkele andere plaats gezien”.

Zij die het einde wensten van het katholieke beest van de zee zagen Calvijns heerschappij als verhelderend.

Toch moeten we leren van het kwaad om Gods burgerij als volkomen ijdel en somber te bestempelen. Want als de invulling van de Tien Geboden door de mens de basis is voor een Theocratie, wordt het leven ofwel onredelijk hard voor degenen die daarin leven, ofwel onhandelbaar en zelfs absurd liberaal zoals wanneer ismen de gaten vullen zoals de ervaring sinds de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Calvijns Theocratie was een tegenwicht tegen de moorddadige Katholieke Theocratie, maar het was de basis van de Protestantse Kerkelijkheid die het einde betekende van het Christendom als het hoofd waarin Edom nu oprees als het Rode Beest waarmee het Christendom sinds de eerste Wereldoorlog hoereert.

Maar Tawney was niet de enige die Calvijn onderuit haalde, het Geneefse stadsbestuur van 1541 – 1549 stelt in “Het notulenboek” (vertaald door Stefan Zewig, Eramus: Het recht op ketterij):.

“De doodstraf tegen ketterij, afgoderij en godslastering en barbaarse martelpraktijken werden gehandhaafd. Het bijwonen van de openbare eredienst werd bevolen op straffe van drie sols. Wachters werden aangesteld om toe te zien dat mensen naar de kerk gingen. De leden van het consistorie bezochten elk huis om erop toe te zien dat mensen naar de kerk gingen. De leden van het consistorie bezochten elk huis eenmaal per jaar om het geloof en de moraal van het gezin te onderzoeken. Elk onbetamelijk woord of handeling op straat werd gemeld en de overtreders werden voor het consistorie gedaagd om ofwel te worden berispt en gewaarschuwd, ofwel te worden overgedragen aan de raad voor een zwaardere straf.”

Datzelfde systeem, zij het afgezwakt, leeft tot op heden voort in de Nederlandse Hervormde Kerk: als iemand een paar keer niet naar de kerk komt, komt de “Dominee” de familie vriendelijk bezoeken. Laat staan dat Nederland naar de knoppen gaat, maar niet één Dominee in het land spreekt zich uit tegen de overheersers van het WEF met hun etnische zuiveringsprogramma om de Kelto-Sakson Nederlanders te vervangen door de “ergste heidenen”. De Dominees zijn meer geïnteresseerd in het bijwonen van hun God’s Wet dodende kerken dan in het tegenhouden van God’s toorn voor het verwerpen van zijn wet.

“Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. Maak een keten; want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld. Daarom zal Ik de kwaadste der heidenen doen komen, die hun huizen erfelijk bezitten zullen, en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden. De ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn. Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezicht van een profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van den priester, en de raad van de oudsten.(omdat de goede wet was geacht, somber, gevaarlijk, opruiend, en volkomen ijdel).” Ezechiël 7:22-26

Calvijn was niet anders dan de rest, hij was een van hen. Ja, we zijn allemaal zondaars, maar we kunnen nooit het antwoord op zonde of verlossing begrijpen door simpelweg de zonde te herdefiniëren volgens de maatstaven van de mens en vervolgens die maatstaven te bestraffen voor hen die zondigen volgens de maatstaven van de mens. Dit plaatst de mens als God. Het is gevaarlijk, opruiend, somber en volkomen ijdel.

Dus Calvijn beschouwde dat leven naar Gods Wet als “volkomen ijdel”…laten we dan kijken naar de vruchten van een norm die hij stelde om te zien of dat volkomen ijdel was. Weinigen lijken zich de meest lege dingen die hij deed te herinneren. Ver voor het Philadelphia kerkelijk toneel probeerde hij niet-blanken te “redden” met zijn Universalisme. Calvijn was aantoonbaar de meest zendingsgezinde van alle reformatoren. “Hij stuurde niet alleen tientallen evangelisten terug naar zijn vaderland Frankrijk, maar gaf ook vier missionarissen opdracht om samen met een aantal Franse hugenoten een kolonie te stichten en naar de Indianen in Brazilië te evangeliseren” (153, citaat van Ruth Tucker). 142 afgestudeerden van de Academie in Genève werden door de kerken in Genève als missionaris aangesteld, alleen al in 1561 (154). In de tijd na de Reformatie werd de Catechismus ook vertaald in het Maleis, Javaans, Singalees, Tamil, Chinees en Japans. Dit alles getuigt van de actieve missionaire inzet van de gereformeerde kerken, zelfs vóór de opkomst van de moderne zendingsbeweging (155). Juist dit actieve zendingswerk stimuleerde de oprichting van de jezuïetenorde, als onderdeel van het contrareformatorische antwoord van Rome. Deze activiteit, was volkomen ijdel aan Gods Wet.

Maarten Luther

Luther was inderdaad een echte hervormer, maar hij ging niet ver genoeg, misschien leefde hij gewoon niet lang genoeg. Zoals anderen in zijn tijd kibbelde hij ook over domme dingen, zoals of het bloed en brood bij het Laatste Avondmaal letterlijk was of niet. Ongeacht deze ruzies zette Luther een aardbeving in gang door de Lutherbijbel te creëren. Het was de Bijbel van het volk, door het volk, en vooral voor het volk, iets wat niet echt bestond vóór Luther en Tyndale. In 1522 had Luther het Nieuwe Testament vertaald, en in 1534 had hij de volledige Bijbel voltooid, inclusief wat ten onrechte de Apocariefen werd genoemd. Hij zette de groei van het koninkrijk in gang op een nooit eerder gezien niveau, waarvan de Keltosaksen honderden jaren lang enorm hebben geprofiteerd, maar de fakkel die werd aangestoken moest worden overgedragen aan de volgende fase van de geschiedenis van het koninkrijk, omdat het grote licht dat was gegeven was vervaagd, en wel om de redenen die ik zal uiteenzetten.

Luther deed meer dan de bijbel vertalen in een taal die het volk begreep, hij bracht ook de wereldorde aan het wankelen op verschillende niveaus, zoals: rechtvaardiging door geloof alleen is “de voornaamste leer van het christendom” en het tegenovergestelde daarvan, het idee dat men door God kan worden goedgekeurd op grond van zijn geloof en goede werken, is het “grondbeginsel” van de wereld en de duivel. “Wie afwijkt van het artikel van de rechtvaardiging,” zei Luther, “kent God niet.”

Dat klinkt heel nobel, maar hij vergist zich als hij beweert dat de rechtvaardiging door het geloof de belangrijkste leer van het christendom is, het “grondbeginsel” om God te kennen. De meeste ingeroepenen hebben dat altijd geloofd, en toch kennen ze God helemaal niet!

Om God te kennen, moet men de levendige orakels van God kennen en ontvangen, zijn pneuma, zijn geest, zijn mentaliteit, die in zijn Wet wordt uitgelegd. Dit betekent ook dat zij, in plaats van Gods wet aan het kruis te nagelen, hun eigen wet aan het kruis moeten nagelen. Kon Luther niet lezen wat hij had vertaald? Luther deed meer voor ons dan de meeste mensen, maar hij had niet alleen het woord, hij vertaalde het en overpeinsde het meer dan iemand van zijn tijd kon. Zo vertaalde hij Romeinen 9:3-5, over wie al het volgende uitsluitend Paulus spreekt.

“Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees; Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.”

Aan wie zijn de dienst en de beloften en de verbonden zoals het Nieuwe Verbond? Israëlieten. Christus kwam toen voor hen en het ging om het vlees. Ze moesten de wet van het vlees kruisigen. Bovendien vertaalde Luther ook Galaten 5 en het gaat erom welke wet aan het kruis genageld werd.

“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen. Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen. Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid. Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn? Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept. Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg. Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. Maar ik, broeders! Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd. Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde. Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt. En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet. Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet. De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen de zodanigen is de wet niet. Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.” Uit Galaten 5

Paulus vertelt ons dat zuurdesem de hele klomp zuur maakt. De leer van de staatsgodsdienst, in dit geval die van de Farizeeën, deze leer, zuurdesem, bederft onze hele manier van denken. Paulus zegt dat wij geroepen zijn om hiervan vrij te zijn. De Farizeeën leefden volgens de handgeschreven verordeningen van de mens, de wet van de mens, en de wet van de mens is de wet van beneden, de wet van het vlees en niet van de levende orakels van God of het Pneuma, de geest. Een van de werken van de wet van de mens (de wet van het vlees), zoals we lezen in de samenvatting van Paulus, wordt “ketterijen” genoemd.

Ketterij: ontkenning van een geopenbaarde waarheid, een mening, leer of praktijk die in strijd is met de waarheid.

Gezien het feit dat alle waarheid bij God berust en de geopenbaarde waarheid van God is, dan is zeggen dat dit van de Joden is, ketterij. Het gebruikte Griekse woord is αιρεω (haireo) en betekent pakken, grijpen, vastgrijpen, hetzij met de hand (d.w.z. iets wegnemen), hetzij met de geest.

Je kudde vertellen dat de wet van God niet voor ons is, is onze geest wegnemen van Gods waarheid. Dat is ketterij. Daarom plegen ALLE kerken elke dag ketterij, tenzij ze zich bekeren. Galaten 5 herinnert er ook aan dat al deze slechte manieren, handgeschreven verordeningen wetten zijn, handgeschreven door de mens, het hart van de mens verzint deze, niet God. Het zijn deze die tegen ons zijn en dat wij ervan bevrijd zijn ALS wij deze kruisigen. “En die van Christus zijn, hebben het vlees met de genegenheden en begeerten gekruisigd”, niet Gods wet.

Luther en Tyndale vertaalden beiden deze hoofdstukken in Romeinen en Galaten. Calvijn onderschreef zelfs de Bijbel (de Geneefse Bijbel) waarin deze verzen voor iedereen te lezen waren. Deze geleerde mannen hadden toch zeker kunnen bedenken dat het nooit de bedoeling was dat Gods wetten als volkomen ijdel zouden worden beschouwd?

Luther twijfelde er niet aan dat de staatskerk van Judea de wetten van God niet als zodanig onderwees, maar in plaats daarvan de Farizeese wet, die gecodificeerd werd als de Talmoed. Op latere leeftijd leerde Luther veel van het geloofssysteem van die staatskerk van Judea, die de Talmoed had geschapen. Maar Luther verbond, helaas en onbewust, de Joden met hen die Mozes hadden verraden: “Van dezen zijn de overgebleven drommels der Joden, van wie Mozes niets weet; zij weten ook niets van hem, want zij houden zich niet aan één passage in Mozes.” “Zelfs met geen ander bewijs dan het Oude Testament, zou ik willen beweren dat de Joden, zoals zij nu zijn, waarlijk een mengsel zijn van alle verdorven en boosaardige schurken van de hele wereld om de verschillende Volkeren te treffen met hun woeker, om anderen te bespioneren en te verraden, om bronnen te vergiftigen, om kinderen te bedriegen en te ontvoeren, kortom, om alle soorten van oneerlijkheid en verwonding te beoefenen.”

Zonder hedendaagse Joodse Encyclopedieën of Soncino-vertalingen van de Babylonische Talmoed, ziet men dat Luther toch begreep hoe de Talmoed godslasteringen pleegt en hoe hij met dubbele tong en woorden schunnige beschuldigingen aan Jezus De Christus ophangt (de Balaam-passages van de Talmoed zijn daar een voorbeeld van, maar Luther noemt er meer). Luther erkende dat elke Messias die het Jodendom verwachtte, slechts bedoeld was om hen op een slachtpad naar de macht te leiden. Luther dacht echter ten onrechte dat de Joden Israëlieten waren die God zogenaamd hadden verworpen voor “de Kerk”, met andere woorden, hij handhaafde de Vervangingstheologie, die de katholieke leer is, ondanks alles wat Paulus had geleerd.

Luthers Catechismen en uitleg over de Tien Geboden en het Onze Vader zijn gewoon kerkelijke apparaatredeneringen, gebaseerd op “alleen de Schrift”, zoals hij graag stelde. Maar het was alleen op de geselecteerde of beperkte Schrift. Hij deed dat in de overtuiging dat de Tien Geboden en de Evangeliën de Nieuwe Wet waren. Zoals bij alle mannen, groot en klein, die zo redeneren, wordt dat hun achilleshiel. Om dit te illustreren is het de moeite waard te kijken naar iets dat de Catechismus heet.

Catechismus: een elementair boek dat een samenvatting bevat van de beginselen van een kerkelijke godsdienst, meer bepaald zoals die door een bepaalde kerk wordt aangehangen, in de vorm van vragen en antwoorden.

Het idee is nobel, maar het is weinig meer dan een zeer simplistische redenering gebaseerd op de kerkelijke theologie die de Wet negeert en daarom iemand die deze voordraagt niet in de Wet grondvest. Het heeft een plaats als basis voor de opvoeding van kinderen op jonge leeftijd, maar het draagt weinig bij tot een meer volwassen zoektocht naar Gods woord. De gegeven antwoorden zijn op zeer selecte vragen, bedoeld om niet Gods theologie af te dwingen, maar de theologie van de mens. De laatste laat de mens altijd naar betekenissen raden zonder Gods wet als licht.

Neem Luthers Tweede Verzoekschrift over het Onze Vader;

“De tweede petitie. Uw koninkrijk kome. Wat betekent dit? Antwoord: Het koninkrijk Gods komt inderdaad zonder ons gebed, uit zichzelf; maar wij bidden in dit verzoekschrift dat het ook tot ons mag komen. Hoe wordt dit gedaan? -Antwoord: Wanneer onze hemelse Vader ons Zijn Heilige Geest geeft, zodat wij door Zijn genade Zijn heilig Woord geloven en hier in de tijd en ginds in de eeuwigheid een godvruchtig leven leiden.”

Zonder te begrijpen dat een Koninkrijk een wet heeft, is het bovenstaande nietszeggend gewauwel. Het Catechismusantwoord dat Luther ons geeft, is dat het Koninkrijk steeds lijkt te komen, alsof het nog niet gekomen is, maar dat in het gebed wel is. Dit is geen duidelijkheid maar zinloze mystiek. Dat mystieke koninkrijk lijkt te komen als God zijn heilige geest geeft als we erom bidden. Dat betekent dat sinds de tijd van Luther, en vermoedelijk vóór hem, zij die er op de een of andere manier om baden het koninkrijk hadden en zij die dat niet deden het koninkrijk niet hadden. Stelt u zich dat eens voor: van iedereen die u hier en daar ziet lopen, hebben sommigen het koninkrijk, anderen niet. Dit is omdat ze op de een of andere manier DE Heilige Geest hebben. Vertel eens wat die geest is, is het het derde mythische wezen van de Drie eenheid? Of is het het levende pneuma van de levendige orakels van God? Hoe dan ook, het betekent dat het Koninkrijk geen plaats is, maar een staat van innerlijkheid, want zo komt het tot ons die bidden. Klinkt meer als boeddhisme. Uit genade geloven we Gods heilige woord. Maar als het heilige woord over het heilige gezag van God gaat, waarom wordt zijn gezag, dat door zijn wet wordt vertegenwoordigd, dan opruiend en somber en volkomen leeg genoemd? En dus als genade bedoeld is als middel om zijn woord te geloven, lijkt dit dan niet een tegenstrijdigheid? Hoe kunnen we immers een godvruchtig leven leiden als we zijn gezag negeren en het leeg noemen? En wat dan met deze nieuwe vorm van genade betekent genade niet Gods reactie op onze zonden door het aanbod van zijn Zoon aan te nemen om onze schulden te betalen die zijn ontstaan door het overtreden van de Heilige Wet? Ja, het kan een gunst betekenen, maar betekent het dat we Gods gezag mogen beledigen zodat wetteloosheid kan overheersen?

De andere petities van Luthers Catechismus doen het niet beter

“Gij zult niet stelen. Wat betekent dit? Antwoord: Wij moeten God vrezen en liefhebben, opdat wij het geld of de bezittingen van onze naaste niet nemen, noch ze verkrijgen door valse waar of handel, maar hem helpen om zijn bezit en zaken te verbeteren en te beschermen [dat zijn middelen behouden blijven en zijn toestand verbeterd wordt].”

Hoe bepaalt men wat “valse waar of handel” is? Hoe beschermen we zaken en eigendom? Kunnen we deze tegen iemands wil belasten en op welk niveau? En als we deze kunnen belasten, is die belasting dan geen diefstal, of is het stelen van Peter om Paul te betalen of Achmed of bluffers zoals politici en Gods wet hatende priesters? Of hoe zit het met het nemen van tienden en offers en deze te sturen naar niet-Kelto-Saksons door priesters uitgevonden “verre buren”? Is dat geen beroving van God? Of een dief ophangen of gevangen zetten, is dat niet verkeerd handelen? Ik hoop dat je ziet dat zonder de Wet van God alle verklaringen die hij heeft gegeven, openstaan voor eigenbelang en in het beste geval ijdele antwoorden zijn, en in het slechtste geval ronduit openstaan voor misbruik.

Martin Luther is zonder twijfel een van de meest invloedrijke figuren in de westerse beschaving, en wat belangrijk is: hij geloofde in een priesterschap van alle gelovigen, in plaats van in een hiërarchische structuur met een prominente scheiding tussen geestelijken en leken. Dat is bijbels onderbouwd. Maar toen het ging om een boerenopstand zat hij klem tussen wie het zwaard moest hanteren, de boeren die eerlijkheid wilden of de heren die geen opstand wilden.

Bovendien, omdat de katholieke kerk werd gezien als eenvoudigweg verkeerd, werd haar idee dat de hele samenleving “een christelijke mantel moest dragen” daarom ook als verkeerd gezien door Luther, en ook Calvijn en allen die volgden. Het idee van “christelijke” politiek of “christelijke” economie werd door hem net zo verafschuwd als door Calvijn, waarom? Was het gewoon omdat de katholieke kerk dat deed? Voor hen was het toch duidelijk dat de katholieke kerk de wet van God beschouwde als de wet die aan de voet van de katholieke ketterij lag? Niet het idee was verkeerd, maar het systeem van de wet. Maar zoals we hebben gelezen, zagen ook Calvijn en Luther de wet van God als een passend systeem dat moest worden vervangen door de theologie van de mens in het voetspoor van een traditie die door Origenes werd gesanctioneerd.

Dit betekende natuurlijk niet dat het publieke domein volgens Luther geen principes had die geëerbiedigd moesten worden. Wat Luther verwierp was de opvatting dat er een unieke “christelijke” benadering van deze domeinen bestond; uniek christelijk, benadrukte Luther. Voor hem was het burgerlijk leven alleen datgene wat hoorde bij het verlossingswerk van Jezus. Als dat zo is, kan Jezus dan koning zijn? Een koning heeft een wet, en als hij christelijk is dan MOET de hele samenleving een christelijke mantel dragen, in de politiek, in de handel, in het onderwijs, in de economie, het hele scala. Als Luther geloofde in Jezus’ werk van verlossing en redding, dan moest hij weten waarvan men gered moest worden en wie teruggekocht moest worden en waarom.

Als wij noch Israëlieten zijn en onder Gods wet staan, dan hoeven wij niet gered te worden omdat wij deze wetten (zonde) overtreden hebben en dus ook niet verkocht zijn in gevangenschap van vleselijke wetteloosheid aan Gods wet om daarvan verlost te worden, of van hen die ons in slavernij hielden voor onze schulden, want alle zonde wordt gerekend als schuld. Verlossing was en is alleen voor hen die Gods wet braken, en daarom geschikt voor hen die onder die wet stonden en die schuldbrieven hadden opgelopen die moesten worden nagekomen. Waarvan heeft Jezus ons dan verlost als we niet onder die wet stonden? Hoe zou Jezus deze door de zonde ontstane schuldbrieven kunnen overnemen van een volk dat deze schulden niet kon maken? Als Kelto-Saksons geen Israëlieten zijn, dan hebben zij nooit Gods wetten overtreden, want dan hadden zij die wetten nooit kunnen overtreden. Daarom hebben zij nooit gezondigd, daarom waren zij nooit gebonden aan de zonde en daarom hoefden zij daar nooit van gered te worden en is Jezus dus niet hun verlosser.

Romeinen 5:13 “Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.”.

Daarom studeerde Luther met een geest die om de kern van het woord heen draaide, waardoor termen als verlossing en redding hol werden, zoals alle gelovigen.

Moest hij ver zoeken? Was de waarheid op mysterieuze wijze moeilijk te vinden? Heeft hij niet ook de boeken van Johannes vertaald?

1 Johannes 3:4 “Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.”, wat kan zonde dan nog meer zijn? Toch zeker niet dat vreemde vage gevoel van stout zijn, maar stout of kwetsend volgens het verschuivende zand van de normen van de mens. Zonder cynisch te zijn, lijkt het erop dat “zonde”, zoals gedefinieerd door de mens, iets moest zijn waarvan een priester de macht kon hebben iemand te vergeven. Hoe verleidelijk zou zo’n status zijn voor een vleselijke man! En hoezeer is hier misbruik van gemaakt. Het zou natuurlijk verkeerd zijn om Luther in zo’n categorie te plaatsen; hij worstelde werkelijk het grootste deel van zijn leven met dergelijke kwesties en misschien is dat de reden waarom het lijkt alsof hij niet betrokken was bij het vormgeven van een theocratische staat zoals Calvijn deed.

Luther schreef: “De hele Schrift moet verdeeld worden in deze twee hoofdonderwerpen, de Wet en de beloften. Want op sommige plaatsen presenteert zij de Wet, en op andere plaatsen de belofte betreffende Christus, namelijk wanneer zij [in het Oude Testament] belooft dat Christus zal komen, en omwille van Hem de vergeving van zonden, rechtvaardiging en het eeuwige leven aanbiedt, of wanneer Christus zelf in het Evangelie [in het Nieuwe Testament], sinds Hij verschenen is, de vergeving van zonden, rechtvaardiging en het eeuwige leven belooft.” De Formula of Concord bevestigt dit onderscheid eveneens in artikel V, waar het stelt: “Wij geloven, onderwijzen en belijden dat het onderscheid tussen Wet en Evangelie in de Kerk met grote ijver moet worden gehandhaafd…”.

Luther schreef: “Daarom, wie deze kunst van het onderscheid tussen Wet en Evangelie goed kent, plaatst hem aan het hoofd en noemt hem een dokter van de Heilige Schrift.” Maar het onderscheid is zo gemakkelijk te maken, de sleutel is de Vervangingstheologie en de Verbondstheologie te dumpen en opnieuw te beginnen. Gooi de spinnenwebben van de kerkelijke theologie weg, het hele riedeltje.

Ze missen het punt. Leven zonder Gods wet is de brede weg die naar de dood leidt. Bovendien missen zij en de Reformatoren de volheid van dat punt.

Wij moeten niet leven onder de wet, maar leven met de wet ONDER genade.

Wij moeten de wet niet zien als een last, maar als een manier om de gerechtigheid te begrijpen en om met de ongerechtigheid om te gaan, zodat wij de genade van Jezus niet misbruiken opdat de wetteloosheid overvloedig zal zijn. De wet redt ons niet van het overtreden ervan, maar van de goddeloze sociopaten die haar overtreden en om ervoor te zorgen dat we niet nog meer sociopaten kweken door incest en rassenvermenging.

Luther, en ook Calvijn, bestreden de identificatie van de Blijde Boodschap als “een nieuwe wet” en Christus als een nieuwe Mozes. Luther was het echter hartgrondig oneens met Aquinas’ karakterisering van het evangelie als een “nieuwe wet”, waarbij hij vaak de neiging vertoonde om wet en evangelie gelijk te stellen aan het Oude en Nieuwe Testament. Luther benadrukt dat de wet gebiedt en dreigt met straf zonder genade, maar dat dit eenvoudigweg niet waar is. Vervolgens redeneert hij dat het evangelie zondaars vrijpleit door geloof alleen, wat een halve waarheid is. De wet, of die nu in het Oude of het Nieuwe Testament wordt verteld of voorspeld, komt om de zondaar te doden, niet om te genezen en te hervormen. Legis semper accusat: “De wet beschuldigt altijd,” hield Luther vol. Maar ook dat is niet waar. De overtreding van de wet beschuldigt de overtreder, niet de wet zelf. De wet identificeert rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, zonder dat loopt het kwaad hoogtij. Als de wet niet wordt overtreden, is er geen beschuldiging. Is dat wel het geval, dan schrijft de wet verlossende maatregelen voor. Het heeft genade ingebouwd. De zondaar had altijd genade in het Oude Testament, en die werd gegeven bij het betalen van boetes (in die dagen offers genoemd) of het afwerken van schuld en dan werd men vergeven en had men genade. Daarmee was de zondaar geen zondaar meer. Vaak betekenden de boetes dat iets anders betaalde voor je misdaad, het verloste je, in dat geval moest je de verlosser geven, het middel om de boete te betalen. Als het door de priester werd geaccepteerd omdat het zonder smet was, dan STOND het voor Jezus, het voorspelde de komende genade van Jezus. En zelfs in het NT geldt dit hele systeem nog steeds, genade werd gegeven door Jezus, die stond voor al die boetes en zij allen vertegenwoordigden hem zoals hij is en de rechtmatige KONINGSMAN verlosser was. Genade is vriendelijk, maar we worden gewaarschuwd er geen misbruik van te maken.

Paulus bevestigt in Romeinen 6 dat de wet niet veranderd is, maar dat de wet door Jezus’ werk is bevredigd. “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre. Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?”

Paulus maakt het duidelijk, genade werd gegeven omdat de verlosser van de koning de boete voor uw zonden betaalde, en hij doet dit elke dag voor u. Betekent dit dat u vrij bent om zelfs de kleinste wet van God te overtreden? God verhoede. Inderdaad, het doel was niet om ons te verlaten als baby’s onder de wet, maar om ons te zien groeien als volwassen gelovigen die leven MET de wet onder genade.

Toch zag niemand van de Reformatoren dit. Dit licht was niet voor de kerk, maar voor het overblijfsel. De gelovigen zullen dit echter zien op de vastgestelde tijd.

In het kort

Toen de Reformatoren de pauselijke twee-woord theorie over de verhouding van de kerk tot de burgerlijke overheid verwierpen, werden zij gedwongen een alternatief standpunt te ontwikkelen.

In de kern is de kwestie van de theocratie vanuit het gezichtspunt van de gelovigen niet zozeer een kwestie van het uitzoeken van de verhouding tussen kerk en staat, als wel een kwestie van de basis en de rechtvaardiging voor het gebruik van dwangmiddelen. Luther noch Calvijn hadden enig idee dat het koninkrijk alleen op Gods voorwaarden kon worden geregeerd, met de Wet van God als fundament. Zij zagen niet in wie de Israëlieten waren en zagen de aard van God niet, doordat zij zijn autoriteit niet begrepen, en dus voor wie verlossing en redding werd gegeven en wie de redder nodig had en waarom. Alles wat zij hadden waren hun eigen redeneringen over geestelijke wetten, natuurwetten, Nieuwe Wet, maar nooit Gods wet, in het bijzonder de Burgerlijke Wet. Calvijn beweerde dat de morele wet, samengevat in de Tien Geboden, de Mozaïsche theocratie overstijgt en in feite “niets anders is dan een getuigenis van de natuurwet en van het geweten dat God in de hoofden van de mensen heeft gegrift” Hoezeer heeft hij het mis. Dat is dezelfde redenering van de mannen van het zogenaamde tijdperk van de verlichting, het humanisme. Het geweten dat zogenaamd in de hoofden van de mensen is gegrift en niet is getemperd door Gods vurige wet, is de weg des doods, de geest van een onheilige geest. Het is niet alleen zinloos in het beste geval, het is van nature onderworpen aan de wervelstormen van de maatschappij en is opruiend in het slechtste geval. Het geweten van de mensen moet worden aangestoken door de levendige orakels van God als een vurige wet die het kaf van het geweten van de mens verbrandt, dat begint in besneden harten van Israëlieten en verwanten Adamieten, maar alleen te doen is voor hen die niet bezoedeld zijn door rassenvermenging of incest.

Het is het geweten van de mens in zijn ruwe vorm, niet getemperd door Gods vurige wet die brandt als een vlam in een besneden hart, dat het lef en de brutaliteit heeft om te zeggen dat de wetten van God slechts supplementen zijn, somber, gevaarlijk, opruiend en volkomen leeg. Zo’n geweten is opruiend en gevaarlijk en leeg van waarheid of Gods vurige wet. Door zulke mensen wordt de genade dagelijks misbruikt. Zij leven bij hun zwaard en verwachten gewoonlijk dat anderen daarvoor sterven.

Hoe zit het met de Methodistische Kerk? De Anglicaanse Kerk?

John Wesley, anglicaans/methodistisch hervormer schreef dit: “Het lijkt mij onmogelijk dat wij de beloning van de hemel verkrijgen zonder de hulp van Maria. Er is geen geslacht of leeftijd, geen rang of positie van iemand in het hele menselijke ras, die geen behoefte heeft om de hulp van de Heilige Maagd in te roepen.” Hij was niet alleen een Anglicaanse/Methodistische hervormer, hij was ook Calvijns rechterhand in Schotland, ook “bevestigde hij de eeuwige maagdelijkheid van Maria, de Moeder van God.”

Bijbelse waarheid: 1 Timoteüs 2:5, “Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;” (Joh. 3:16) “de Mens Christus Jezus, Die Zichzelf gegeven heeft tot verzoening…”. Niet met de hulp van Maria of een heilige drie-eenheid spook.

Openbaring vertelt ons dat alle kerkelijke stadia in corruptie vielen, er was altijd de vonk van Jezus die de olie aanstak in de kandelaar van elk van de zeven stadia die de kerken keer op keer overnamen van de geroepenen.

Het was een gemakkelijke zaak door variaties van het woord Kyriake in onze bijbels in te voeren, waarmee de meeste vertalers zowel kerk als staat behaagden. De kerk omdat zij beweerde Gods Koninkrijk te zijn of het middel om het mystiek te ontvangen of hoe daar terecht te komen, en dus onfeilbaarheid als argument had, en de koningen omdat zij onder de “Gift van Pepijn” in 756 na Chr. door de Papa gezegend waren met het “goddelijke Recht om te heersen”. We zien deze claim vermeld in het Britse koninklijke wapen. Dieu et mon droit. Het motto is Frans voor “God en mijn recht”, wat betekent dat de koning “Rex Angliae Dei gratia” is of de koning van Engeland bij de gratie van God. Het wordt gebruikt om aan te geven dat de monarch van een land een door God gegeven (goddelijk) recht heeft om te regeren.

Het resultaat was, dat elke twijfel van het volk over de goddelijke rechten van koningen, of het in twijfel trekken van de heilige status van deze op hol geslagen oplichters, werd gezien als een aanval op God. Het hele systeem werd een bescherming tussen priesters en koningen. Daarom vertellen de kerken ons tot op de dag van vandaag om alle regeringen te gehoorzamen, omdat dat zogenaamd God behaagt.

Ook al gebruikt de Nederlandse Staten Bijbel het woord “Gemeente”, en de Duitse Luther vertaling het woord “Gemeinde” in plaats van de woorden Kerk of kirche; zowel Gemeente als Gemeinde betekenen niet Kerk als zodanig, maar “een gemeente van een Kerk”. Geen van beide betekenissen is dus; “de uitgeroepenen”. In beide gevallen betekenen ze; de ingeroepenen. Geroepen in een systeem waar Gods wetten slechts supplementen zijn die behoren tot een andere plaats, een ander volk en een andere tijd, en volkomen leeg zijn. Deze wetten ontbreken zeker en zijn leeg in de gebieden die de kerken opeisen.

Zoals eerder opgemerkt, zijn vóór de Reformatie alle katholieke vertalingen geschreven om de kerk en niet God tegemoet te komen. Veel vertalingen sinds de Reformatie zijn echter helemaal geen vertalingen, maar niets anders dan herschreven teksten, om de kerk tegemoet te komen, zoals zo duidelijk te zien is in de bijbel van Jehova’s Getuigen, waar de ‘vertaler’ eenvoudigweg ‘Jehova’ heeft ingevoegd, terwijl dat woord niet eens in de oorspronkelijke tekst stond. Verder hebben ze telkens wanneer het woord “Heer” (kurios) verscheen, daarin Jehovah gezet en ook bij het woord “God” (theos) met Jehovah, voor de goede orde. Het is een werk van louter schurken. Vanaf het voorwoord van 1950 werd de Jehova’s Getuigen Bijbel de NWT (Nieuwe Wereld Vertaling) genoemd om het een schijn van respectabiliteit te geven. Inderdaad, met hun eigen woorden, ze hebben het niet eens vertaald!

De Jehova’s Getuigen zeggen het volgende over hun bijbel: “De Griekse tekst die wij als basis voor onze NW vertaling hebben gebruikt is de algemeen aanvaarde Westcott en Hort tekst (1881) vanwege zijn erkende voortreffelijkheid. Maar we hebben ook andere teksten in overweging genomen, waaronder die van D. Eberhard Nestle en die van de Spaanse jezuïet Jose Maria Bover en die van de andere jezuïet A. Merk…”.

Ja, de Jehova’s Getuigen gebruikten antichristelijke Jezuïeten om hun versie van de bijbel te maken!

“Haar (de Jezuïetenorde) doel was, en is nog steeds, om de effecten van de Reformatie te vernietigen en het Heilige Roomse Rijk te herstellen…” Leo H. Lehman, 1942. Iers Amerikaans historicus.

“Zie, mijn Heer, vanuit deze kamer bestuur ik niet alleen Parijs, maar China. Niet alleen China, maar de hele wereld zonder dat iemand het weet.” Michael Angelo Tamurini, 1720. Generaal van de Jezuïeten in gesprek met de Hertog van Brancas.

“De macht van de generaal zal zo onbeperkt zijn dat als hij het nodig acht voor de eer van God, hij zelfs in staat zal zijn om degenen die rechtstreeks van de pausen zijn gekomen terug te sturen, of in andere richtingen.” Ignatius Loyola, 1540. Stichter en Generaal van de Jezuïeten. The Black Pope, M. F. Cusack 1896.

“Het recht om koningen af te zetten is onderdeel van de opperste soevereiniteit die de pausen als plaatsvervangers van Christus uitoefenen over alle christelijke naties.” Kardinaal Henry Manning, 1892, aartsbisschop van Westminster. (Manning begon als anglicaans-protestant en werd later katholiek kardinaal). Elke man die beweert dat de Opperste soevereiniteit bij een man kan berusten, is een psychopaat. Toch besturen zulke gekken de kerken. Manning en zovelen dienen een orde die beweert: “De natie en het koninkrijk die mij (de paus) niet zullen dienen, zullen vergaan!” Het motto van paus Julius III op munten geslagen in 1550.

“Het protestantisme raakt in ontbinding, het valt in stukken. Wij beginnen er mannen van aanzien uit te winnen en er zijn zelfs hogere personages die wij ervan hebben weten te overtuigen dat als zij het protestantisme blijven handhaven, zij verloren zijn.”

Het Geheime Plan 2001

Hoe succesvol de Jezuïeten ook zijn of niet: voor elke “kerk” die met trots Jezuïeten gebruikt voor hun “bijbel” werk, zoals de Jehovah Getuigen, zou dat genoeg moeten zeggen over zo’n “kerk”. Jezuïeten zijn gewoon een andere creatie van “de Rest” en de wolven die zij zoeken voor het vestigen van hun theologie.

Kerken waren en zijn organisaties die gecreëerd zijn door “de Rest”, die door God verblind werden gemaakt omdat zij wat zij Gods “Supplementen” (zijn Wet) noemen aan het kruis wilden nagelen. Hun blindheid is een passende beloning voor hun afwijzing van Het Woord, en daarmee afwijzing van God. “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”

Met de beschamende leugen dat ‘Gods Wet’ was afgeschaft, kwam Gods terechte antwoord:

2 Tessalonicenzen 2:10-12 “En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.”

Het was met bedrieglijkheid in deze schepselen dat zij sterven zoals ieder ander, zoals ieder dier; omdat de liefde tot Gods waarheid, Zijn Wet, Zijn Woord, Zijn eigenlijke Wezen, eenvoudig niet in hen was. Daarom werden zij, omdat zij God het Woord “afwerpen” en het volkomen leeg noemen, niet gered van de gevolgen die op hun wetteloosheid volgen. Zij verzonnen hun eigen geloofsbelijdenissen en wetten om naar te leven, wat eenvoudig betekent, om hun leven te laten werken, het betekent, om zichzelf te redden. Hun wetten werden hun goden, hun hartafgoden. De producten van hun geweten. Niet van Gods vurige leven gevende wet. Laat hun wetten hen dan redden. En wat een puinhoop hebben we gezien. Het koninkrijk op aarde heeft zijn bodem gedrenkt in het bloed van hen die leefden bij hun zwaard, hun wetten, hun geweten. De beloften zijn inderdaad tot nu toe alleen gevonden in het Overblijfsel dat zij noemen, gevaarlijk en opruiend.

Dit betekent dat de kerkelijke organisaties geen zegeningen van God waren, maar juist berispingen van God voor het verwerpen van zijn wet. De bestraffing was en is uiteindelijk ter correctie. Dit komt omdat hun grondwerk (fundament) niet de Rots (Gods Wet) was, maar slecht gecementeerd zand, neergelegd met Vervangingstheologie door de Katholieken en veel later, Verbondstheologie door de Protestanten. Met het zand van de menselijke theologie was het gemakkelijk voor de Jezuïeten, en later de Edomieten van de Jodengodsdienst, om de protestanten te verleiden tot hoererij naar hun beestachtig regeringssysteem. Alle kerken hebben zich Gods terechtwijzing waardig gemaakt. Met deze terechtwijzing is alles wat zij binnen deze kerken hebben een leugen, een sterke door God gezonden misleiding. Ze moeten nog worden gereinigd door de wet die ze tot nu toe hebben afgeworpen.

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>