• Home
  • Satan verdreven – Deel 4
17 oktober, 2023
Sieuwerd Isachastra

SATAN WAS PETRUS; DIABOLOS WAS JUDAS

Als onze Heer had gezegd dat de “diabolos” en de “satan” bovennatuurlijke personen zijn, of een bovennatuurlijk persoon, dan moeten we dat wel geloven, maar Hij noemde Petrus zelf “satan”, en we weten dat Petrus menselijk was, heel erg menselijk! “En een van jullie is een diabolos (een aanklager).” zei Jezus, verwijzend naar Judas, die Hem zou beschuldigen bij de oudsten van Israël. Bovendien vertelt onze Heer de Schriftgeleerden en Farizeeën dat zij werden verwekt door de “aanklager”, terwijl Hij het met hen eens is dat zij Abrahams zaad waren (Johannes 8:39-44).

Waar legt Jezus dan de schuld voor al het kwaad en onrecht in de wereld? Hij heeft ons duidelijk verteld dat het uit het hart van de mens komt, dat wil zeggen, de mens in zijn natuurlijke adamitische staat. Jezus zei tegen de Farizeeën: “Gij zijt van beneden… gij zijt van deze wereld. Gij zijt van uw vader, de aanklager. Hij was een moordenaar vanaf het begin en verbleef niet in de waarheid, want er was geen waarheid in hem.” (N.B. Vergelijk deze uitspraak met die in Ezechiël 28:15, over de koning van Tyrus, en je zult zien dat deze teksten onmogelijk beide naar dezelfde persoon kunnen verwijzen).

“Maar,” zul je misschien zeggen, “als de aanklager vanaf het begin een moordenaar was en er geen waarheid in hem was, een leugenaar en de vader van de leugen, wijst dat dan niet op een bovennatuurlijke aanklager en tegenstander?” Als de woorden van onze Heer zelf zo’n geloof niet zouden uitsluiten, zouden we moeten toegeven dat het zo lijkt, maar als Hij zelf ons de bron vertelt waaruit moorden en leugens voortkomen, en nadrukkelijk stelt dat het uit het hart van de mens komt, is er voor ons geen excuus om ons nog steeds vast te klampen aan de populaire “gevallen engel” theorie.

“Want van binnenuit, uit het hart van de mensen,” zegt Hij die de Waarheid en het Woord van God is, “komen uit het hart van de mensen boze gedachten, overspel, ontucht, moorden, diefstal, hebzucht, boosheid, bedrog, wellust, een boze geest, godslastering, hoogmoed, dwaasheid. Al deze dingen komen van binnenuit en verontreinigen een mens.” (Matteüs 15:19; Marcus 7:21).

Over de woorden “diabolos” en “Duivel”. Toen Jezus de Schriftgeleerden en Farizeeën “kinderen van de aanklager” (“diabolos”: Engelse teksten “duivel”) noemde, had dat te maken met hun gewoonte om fouten in anderen te zoeken en te vinden en om hun medemensen van zonde te beschuldigen. In het 8e hoofdstuk van het Evangelie volgens Johannes lezen we eerst dat ze de vrouw die op heterdaad betrapt was, naar Jezus brachten en haar beschuldigden, waarbij ze probeerden de Heer te verleiden om zich vast te leggen op een uitspraak over de zaak. Je zult merken hoe Jezus ieders geweten zijn eigen aanklager liet zijn toen Hij stilletjes voorstelde dat hij die zonder zonde is, de eerste moet zijn om een steen te werpen. Dit werd gevolgd door een andere beschuldiging (vers 13) door de nakomelingen van de “aanklager”. Zij zeggen tegen Jezus: “Gij hebt van Uzelf getuigd. Uw getuigenis is niet waar.” ZE BESCHULDIGEN HEM NU VAN VALS GETUIGEN. Jezus verwijst in zijn antwoord opnieuw naar het vlees, de oude tegenstander: “Gij oordeelt naar het vlees,” verklaart Hij. Opnieuw beschuldigen ze Hem (v. 48), deze keer dat Hij een Samaritaan is, en dat Hij een demon (“daimon” niet “diabolos”) heeft, dat wil zeggen, dat Hij bezeten is van een boze geest. En opnieuw (vers 52) wordt Hij ervan beschuldigd “bezeten” te zijn en leugens te spreken.

Maakt dit niet overduidelijk waarom Jezus tegen hen zei: “Gij zijt van uw vader, de aanklager, en de begeerten (verlangens) van uw vader zult gij doen”? Ze kwamen eerst naar Hem toe met de beschuldigingen tegen de overspelige vrouw en daarna tegen Zichzelf. Het was hun verlangen dat de vrouw veroordeeld zou worden tot steniging, en uiteindelijk probeerden ze Hem te stenigen.

“Gij zijt van uw vader, de aanklager, en de begeerten van uw vader zult gij doen… Hij was een moordenaar van het begin af aan en bleef niet in de waarheid…” (Johannes 8:44).

“Hoe”, vraag je je misschien af, “kan dit mogelijk op Adam worden toegepast?”

We zien dat Adam de toepassing van al deze termen op hem, de eerste ouder van de natie Israël, volledig rechtvaardigt. Hij was een moordenaar in zoverre, door zijn moedwillige en ongehoorzame daad, de dood over het menselijk ras bracht. In dit opzicht was Adam “een moordenaar vanaf het begin”.

Je zult je ook herinneren dat de belangrijkste van Adams weinige opgetekende verklaringen een beschuldiging was, namelijk: “De vrouw die Gij mij gegeven hebt om bij mij te zijn, die heeft mij van de boom gegeven…”. (Genesis 3:12). Meteen werd Adam “de aanklager” en Eva, niet minder aanklager, gaf de slang de schuld van de misstap. De vader van het aardse ras was dus inderdaad “een aanklager en een moordenaar vanaf het begin”, zoals Jezus zei.

Dit woord “Duivel”. Hoe verklaren we dit woord “duivel”, dat steeds terugkeert en zich opdringt in onze theologie en onze Engelse teksten?

Een interessante en onthullende studie is het terugvinden van dit intrigerende woord naar zijn oorsprong. Een feit dat zeer veelzeggend is, is dat het pas lijkt te zijn ontstaan toen de behoefte eraan zich voordeed, dat wil zeggen, rond de intertestamentaire periode, ongeveer 200 v. Chr. tot 50 n. Chr.), of later, toen de apocriefe boeken van Henoch, met hun uitgebreide en fantastische verslagen van “opstand in de hemel” en de val van de aartsadventist uit zijn verheven positie, werden losgelaten op een onwetende en goedgelovige wereld.

We kunnen bij benadering de periode vaststellen waarin het Griekse woord “diabolos” met de laatste klinker, de “o”, veranderd in “u”, dus “diabolus”, werd overgenomen in de taal van Rome; het had echter niet de Griekse betekenis van aanklager, maar “duivel”.
Dit overgenomen woord, namelijk “diabolus” met zijn betekenis van “duivel”, staat in het Latijnse Lexicon als behorend tot LATER Latijn. Dit kan veilig worden geïnterpreteerd als behorend tot de postklassieke periode, of niet eerder dan 120 na Christus, en binnen een eeuw of twee van de tijd waarin de behoefte aan zo’n woord ontstond, namelijk de tijd waarin het Boek (of de Boeken) van Henoch een dankbare wereld een kant-en-klare maar mythische zondebok presenteerde voor al haar zonden en tekortkomingen!

De Apocriefe boeken die de naam van Henoch dragen, bestonden uit vijf delen, waarvan het vroegste rond 200 v. Chr. geschreven zou zijn en het laatste rond 50 n. Chr. of later.

Etymologie van het woord duivel. Omdat het Latijnse woord “diabolus” in het Latijnse woordenboek beschreven wordt als “kerkelijk” en behoort tot het latere Latijn, kunnen we de datum van het overnemen ervan uit de Griekse geschriften van het Nieuwe Testament veilig vaststellen op ongeveer 120-150 na Christus, en als we in gedachten houden dat de boeken van Henoch, die voornamelijk verantwoordelijk waren voor de “duivelsleer” (1 Timoteüs 4:1), dateren van ongeveer 150 v. Chr. tot 50 n. Chr. dan vinden we de reden waarom het woord “diabolus” “duivel” betekent in plaats van “aanklager”, zoals het zou moeten zijn.

Het is eenvoudig om het oorspronkelijke Griekse woord “diabolos” te traceren in zijn overgang door het Latijn en de Italiaanse aanpassingen, naar ons Engelse woord “devil”, en om het effect van de “gevallen engel” doctrines op het woord in zijn overgang te traceren.

Bijvoorbeeld:

Oorspronkelijk Grieks woord Diabolos = aanklager.

Latijnse aanpassing: Diabolus.

De doctrines over gevallen engelen vinden hun oorsprong rond 150-50 na Christus.

Eerder Latijns werkwoord Devolo = naar beneden vliegen.

Italiaans woord Diavolo = “Duivel.

“dia” van diabolus, en “volo” van het woord devolo – naar beneden vliegen.

Oud Engels woord Deofol, modern “DEVIL”.

Waaruit we kunnen begrijpen waarom de traditionele Duivel altijd wordt afgebeeld in het bezit van een paar grote zwarte vleugels!

JOB EN DE TEGENSTANDER

Voor christenen, die geloven in het bestaan van een bovennatuurlijke tegenstander, zijn waarschijnlijk de eerste twee hoofdstukken van het boek Job het meest overtuigende bewijs ter ondersteuning van hun theorie. We moeten toegeven dat het er op het eerste gezicht heel overtuigend uitziet. “Satan”, een tegenstander – de tegenstander, als je het zo wilt noemen – presenteert zichzelf voor de Heer en maakt van de gelegenheid gebruik om een vrome en rechtvaardige man te belasteren.

Maar laten we het analyseren. We zouden kunnen beginnen met erop te wijzen dat “Satans rebellie” – om de algemeen aanvaarde traditie over zijn val uit de genade te citeren – hem buiten de grenzen van het hemelse hof en Gods vertrouwen plaatste; toch neemt hij niet alleen als bij recht zijn plaats in tussen de zonen van de Elohim, maar hij wordt zelfs uitgenodigd om zijn mening te geven over een rechtvaardig man! En hier, laat het opgemerkt worden, gedraagt hij zich heel vreemd voor een bovennatuurlijk wezen dat verondersteld wordt de kampioen van het kwaad te zijn! Hij klaagt over Job als een onrechtvaardig man wiens integriteit slechts aan de oppervlakte ligt. Niet alleen dat, maar in plaats van tevreden te zijn met die stand van zaken, zoals je van hem zou verwachten, verlangt hij er zelfs naar om Job tot het uiterste te laten lijden, zelfs om God tegen hem (Job) op te zetten om hem zonder reden te vernietigen! (Job 2: 3)

Als hij kan beweren dat Job aan de kant van de ongerechtigheid staat, zou Satan zeer verheugd moeten zijn dat zo’n rijke en invloedrijke man als Job aan zijn kant staat, en tegen de Heer. (Tenminste, als Satan de bovennatuurlijke afvallige is die de populaire traditie beweert dat hij is).

We kennen het resultaat van de laster van de tegenstander. Bij twee afzonderlijke gelegenheden presenteerde hij zichzelf voor de Heer en was hij behulpzaam bij het in moeilijkheden brengen en vernederen van Job, door te beweren dat Job alleen rechtschapen was omdat hij geen reden of noodzaak had om anders te zijn. Het is belangrijk om op te merken dat de tegenstander “de Heer bewoog om Job zonder reden te vernietigen”, hoewel het in het verhaal lijkt alsof de satan de macht had om Jobs rampspoed teweeg te brengen; dit wordt niet met zekerheid bevestigd, behalve in het geval van Jobs lichamelijke kwelling, die echter een speciale uitleg verdient. (Dit wordt gevonden op pagina 16).

Wie is dan deze aanklager, deze tegenstander die er zo op gebrand is om Job naar de ondergang te zien gaan? Ons wordt verteld dat hij samen met de “zonen van Elohim” kwam toen zij zich voor de Heer kwamen presenteren, maar wie zijn de “zonen van Elohim”? Alleen door de Schrift te doorzoeken en tekst met tekst te vergelijken en hun ware getuigenis te aanvaarden, kunnen we de waarheid hiervan ontdekken.

Laten we dan beginnen waar we zeker weten dat we op vaste grond staan, dat is zoals voorheen, met het Woord, dat De Waarheid is.

Onze Heer zei, toen Hij er door de Joden van werd beschuldigd Zichzelf ‘een god’ (Theos – Johannes 10:33-34) te maken, ter rechtvaardiging: “Staat er niet in uw wet geschreven: ‘Ik heb gezegd: Gij zijt goden’? Als Hij hen ‘goden’ noemde tot wie het woord van God kwam, en de Schrift niet gebroken kan worden, zegt gij dan van Hem, die de Vader geheiligd heeft en in de wereld gezonden heeft: ‘Gij godslasteraar’, omdat Ik gezegd heb: ‘Ik ben Gods Zoon’?”

Jezus citeerde hier de 82e Psalm, en om het punt waar het om gaat heel duidelijk te maken, zullen we de hele Psalm kopiëren. Bovenaan is het als volgt samengevat: “Ik, de psalmist, na de rechters vermaand en hun nalatigheid verweten te hebben, bid God om te oordelen.” (Waardoor het duidelijk wordt dat deze psalm zich volledig bezighoudt met de Wet, de Rechters en hun oordelen).

PSALM 82

1. God staat in de gemeente der machtigen (El); Hij oordeelt onder de goden (Elohim).

2. Hoe lang zult gij onrechtvaardig oordelen, en de personen der goddelozen aannemen? Selah.

3. Verdedig de armen en de vaderlozen: Doe recht aan de bedroefden en behoeftigen.

4. Verlos de armen en behoeftigen: Verlos (hen) uit de hand van de goddelozen.

5. Zij weten niet, noch begrijpen; zij wandelen in duisternis: Alle grondvesten der aarde zijn uit koers.

6. Ik heb gezegd: “Gij (zijt) goden; (Elohim) en gij allen (zijt) kinderen van de Allerhoogste.”

7. Maar gij zult sterven als mensen en vallen als een van de vorsten.

8. Sta op, o God, oordeel de aarde: Want Gij zult alle volken erven.

Het zal worden toegegeven dat deze Psalm betrekking heeft op de rechters van Israël. Het Hebreeuwse woord “Elohim” is het woord dat zowel in vers 1, tweede regel, als in vers 6, eerste regel, wordt gebruikt en “goden” wordt vertaald, en er bestaat geen enkele twijfel over dat het aan de rechters is gericht. Om dit te bevestigen hoeven we ons alleen maar te wenden tot het boek Exodus 21:6, en 22:8, 9, 28, welke hoofdstukken gaan over de wet en de oordelen. Exodus 21:6, “Dan zal zijn meester hem tot de rechters brengen…”. (Hebreeuwse woord vertaald “rechters” is “Elohim”).

Exodus 22: 8, “Indien de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer des huizes tot de rechters gebracht worden” (Elohim). Exodus 22:9, “…en wie de rechters zullen veroordelen…” (Opnieuw is het Hebreeuwse woord dat voor rechters wordt gebruikt “Elohim”). Exodus 22:28, “Gij zult de goden niet beschimpen, noch de overste van uw volk vervloeken.” (En hier tegen het woord “goden” geeft de randnoot het alternatief, “of rechters”, en het Hebreeuwse woord dat zo vertaald is, is “Elohim”).

Als we nu terugkeren naar het eerste hoofdstuk van het boek Job, lezen we in vers 6: “Nu was er een dag waarop de zonen van de Elohim (d.w.z. de zonen van de rechters) kwamen om zich voor de Heer te presenteren, en de tegenstander kwam ook onder hen.”

Wanneer we leren dat degenen die kwamen om zich voor de Heer te presenteren “de zonen van de rechters” waren, wordt het duidelijk hoe er een aanklager onder hen kwam, en waarom de Heer hem vroeg of hij de volmaakte en rechtschapen man Job had overwogen.

Hoewel we geen definitieve bevestiging van het feit vinden, is er reden voor een ernstig vermoeden dat een van Jobs vermeende vrienden en pseudosympathisanten eerder de rol van aanklager of tegenstander (de Satan) had vervuld. In feite zou het bijna lijken alsof er een samenzwering tegen Job was geweest in deze zaak. Er wordt ons verteld dat toen de drie vrienden van Job hoorden van al dit kwaad dat over hem kwam, ze kwamen (een afspraak maakten om te komen) ieder van zijn eigen plaats: maar uit de buitengewone aard van hun pogingen om de arme man te troosten, zou het bijna lijken alsof ze zich eerder verkneukelden over zijn ontreddering. Bildad draagt de naam die hem in het bijzonder aanwijst als een schuldige en een aanklager – “Zoon van twist of strijd,” maar elk van hen speelt op zijn beurt de rol van aanklager, en vertelt Job recht in zijn gezicht dat God niet zulke kwellingen op een onschuldige en rechtschapen man zou hebben gestuurd.

Als we het boek Job in zijn geheel bekijken, maar in het bijzonder de eerste twee hoofdstukken, zou de krachtige, retorische stijl onmiddellijk suggereren dat het in de oudheid in de vorm van een epos werd verteld, vandaar de dramatische noot in de suggestie dat het “de aanklager” was die Job alle ellende had aangedaan. Echter, door het hele verhaal heen zien we dat noch het slachtoffer, noch zijn hypocriete vrienden zijn rampspoed aan iemand anders dan God toeschrijven (zie hoofdstuk 19), maar, zoals we in Job 2. 7 vinden, dat Satan uit de hemel kwam: 7, dat Satan uitging van de aanwezigheid van de Heer en Job sloeg met steenpuisten, hoewel hij niet uitdrukkelijk werd beschuldigd van het direct instrument te zijn in het toebrengen van de voorgaande calamiteiten, is het aan ons om aan te tonen dat de satan geen bovennatuurlijk wezen hoefde te zijn om dit te bewerkstelligen; een dergelijke aandoening ligt binnen de macht van de gewone mens om te bewerkstelligen, zoals onze hedendaagse psychologen kunnen bevestigen.

In de tijd van Job, en zelfs veel later, werd de macht verondersteld te liggen in spreuken en vloeken om lichamelijke ziekte en zelfs de dood over een gemerkt slachtoffer te brengen. Er was echter altijd één noodzakelijke voorwaarde en dat was dat het slachtoffer geïnformeerd moest worden over het feit dat zo’n vloek over hem uitgesproken was en over de aard van de ziekte die hij kon verwachten. Tegenwoordig is bekend dat dit vermogen in autosuggestie ligt. Als dit de manier was waarop de tegenstander waarmee we te maken hebben Job wilde treffen, dan moest Job van tevoren worden verteld wat hij kon verwachten. Hoogstwaarschijnlijk werd hier zorgvuldig op toegezien, en dit zou Job’s verklaring verklaren als hij zegt: “Want hetgeen ik zeer vreesde, is over mij gekomen; en hetgeen waarvoor ik vreesde, is tot mij gekomen.” (Job 3:25). (Job 3: 25).

Als deze specifieke tegenstander, of zoon van de Elohim, echter de voorkeur gaf aan een meer directe en zekere methode om een afschuwelijke huidaandoening aan Job te hangen, dan hoefde hij alleen maar een contact tot stand te brengen tussen Job en een of andere persoon die aan deze ziekte van steenpuisten leed. Deze methode zou een snellere werking hebben, en het contact zou waarschijnlijk al genoeg zijn zonder dat Jobs angsten eraan toegevoegd zouden worden. Een kwaadwillende die zo absoluut hatelijk is als deze zoon van de rechters wordt afgeschilderd, zou er geen moeite mee hebben, noch zou hij aarzelen om een contact te plannen tussen zijn beoogde slachtoffer en een arme persoon die lijdt aan besmettelijke zweren.

Zelfs in deze tijd van gezondheidscultuur en verlichting vinden we het maar al te gemakkelijk om besmet te raken met huidziekten door licht contact. Voeg aan dit alles toe dat Job eigenlijk bang was geweest voor die specifieke aandoening (Job 3:25) en je hebt een vrij complete en bevredigende verklaring voor hoe “de tegenstander” het voor elkaar kreeg om Job met steenpuisten te slaan. “En de Heer zeide tot de satan: Vanwaar zijt gij gekomen? Toen antwoordde Satan de Heer en zei. Van het heen en weer gaan op de aarde en van het op en neer gaan op de aarde.”(Job 1: 7 en 2: 2).

Voor iedereen die gewend is aan de mensen in het Oosten en hun eigenaardige manier om een verhaal te vertellen, moeten de eerste twee hoofdstukken van Job een bekende klank hebben. Zelfs in ons eigen Westerse land waren kinderverhalen geneigd om voor hun effect afhankelijk te zijn van een zorgvuldige herhaling van een bepaalde pakkende zin. We kennen allemaal het verhaal van Jack and the Beanstalk! Hier vinden we er een voorbeeld van in de eerste twee hoofdstukken van Job.

Het mysterieuze antwoord van Satan, “Van het heen en weer gaan op aarde en van het op en neer lopen”, wordt zelfs aangehaald als bewijs dat hij geen gewoon wezen was, maar inderdaad een onzichtbaar en buitengewoon wezen! En toch, is het niet overduidelijk dat de verteller, met een voorliefde voor retoriek en een oor voor effect, gebruik heeft gemaakt van de oude bekende truc?

Misschien zouden de gelovigen in de “duivelsleer” verbaasd zijn te horen dat precies dezelfde uitdrukking minstens drieënveertig keer is gebruikt in de Schriftteksten van het Oude Testament; soms wordt het gezegd van goddeloze personen; soms van een rechtvaardige man die heen en weer loopt, of op en neer, in zijn integriteit.

Jakob gebruikte dezelfde uitdrukking met betrekking tot zijn voorouders; de Psalmist verlangde ernaar dat God zijn voeten behoedde voor vallen, zodat hij op en neer, of heen en weer voor God op de aarde kon lopen (“in het licht van de levenden”) ; in weer een ander geval wordt verwezen naar heel Israël.

Het Hebreeuwse woord is “halak” en heeft geen mysterieuzere betekenis dan gewoon “in het rond lopen”. Ons moderne equivalent van Satans toespraak zou zijn: “Oh, gewoon hier en daar.” Maar dat zou de toehoorder met een oor voor retoriek niet tevreden stellen!

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>