• Home
  • Ging de rijke man naar een brandend hellevuur?(3)
12 aug 2022
Dood & Eeuwig leven
Sheldon Emry

Hoofdstuk 3

Ging de rijke man naar een brandend hellevuur?

…. Ook de rijke man stierf en werd begraven. En in de hel (HADES) sloeg hij zijn ogen op, terwijl hij in foltering was…. (Lucas 16:22, 23)

Meestal wordt deze passage gebruikt om te “bewijzen” dat wanneer goddeloze mensen sterven, zij lijden onder de “vuren in de hel”. Als men echter ijverig de Bijbel bestudeert, zal hij ontdekken dat Gods Woord niet zo’n afschuwelijk, heidens document leert als: “De Schepper-God martelt de meeste mannen en vrouwen in het vuur voor eeuwig en altijd.”

Het Griekse woord BASANOS, hier vertaald met “kwellen”, wordt slechts twee keer gebruikt in het Nieuwe Testament. Volgens de Concordantie van Strong betekent het “door de beweging van naar de bodem gaan”, en we hebben er ons woord “basis” van. Met andere woorden, deze man werd VERLAAGD, hij werd vernederd, hij ging tot op de bodem.

Het betekent NIET dat hij fysieke pijn leed in de hel, zoals de meeste predikanten leren. Zij rekken het Woord op tot hun eigen verderf – en het uwe! De rijke man werd vernederd. . .

” En hij zag Abraham van verre, en Lazarus in zijn boezem. En hij riep en zeide: Vader Abraham (hij noemde Abraham “Vader”) ontferm U over mij en zend Lazarus, opdat hij het topje van zijn vinger in het water doopt, en mijn tong verkoele, want ik ben VERTOREN in deze vlam. (Lucas 16:24)

Het woord “gekweld” komt van een ander Grieks woord ADUNAO, en het betekent “bedroefd, neerslachtig, verdrietig of gekweld zijn” (Strong’s Concordance). Het verwijst niet naar fysieke kwelling. ADUNAO wordt ook gebruikt in Handelingen 20:37,38, toen Paulus zijn vrienden vertelde dat hij hen nooit meer zou zien:

En zij weenden allen smartelijk, en vielen Paulus op de hals en kusten hem, vooral om de woorden, die hij gesproken had, dat zij zijn aangezicht niet meer zouden zien. . .

Hun kwelling, zoals die van de rijke man in “de hades”, was er een van geestelijke grimmigheid, verslagenheid, of verdriet. De rijke man zei: “Ik ben gekweld, ik ben bedroefd in deze Vlam.”

Dit woord “vlam” komt van het Griekse woord PHLOX, en het wordt in de Nieuwe Schrift zeven keer gebruikt, als volgt: Lucas 16:24; Handelingen 7:30; Hebreeën 1:7; Openbaring 1:14; Openbaring 2:18; Openbaring 19:12; en 2 Thess. 1:8.

In alle gevallen behalve dat van de rijke man in Lukas 16:28 is het woord “vuur” toegevoegd, om het te laten betekenen “vuurvlam” of “vlammend vuur”. God zag in Zijn wijsheid om het woord voor “vuur” weg te laten in het spreken over de toestand van de rijke man, zodat wij niet zouden denken dat wij de vlam letterlijk moeten interpreteren.

Predikant na predikant preekt echter over hoe deze rijke man in de “vuren” van een brandende hel was, en dat hij voor eeuwig lichamelijke kwellingen zal ondergaan. Nee, hij is neerslachtig en bedroefd in zijn basis, of lage, toestand; hij lijdt “vlam”.

Om te begrijpen wat de Bijbel leert over hoe de rijke man lijdt onder deze “vlam”, moeten we eerst de rijke man’s “vijf broeders” identificeren, die voor hetzelfde lijden bestemd waren.

Toen zeide hij: Ik bid u dan, Vader, dat Gij hem zendt naar het huis mijns vaders; Want ik heb vijf broeders, opdat hij hun getuigenis aflegge, opdat zij ook niet komen in deze plaats van kwelling.” (Lucas 16:27, 28)

Genesis 36 vertelt het verhaal van een man die vijf broeders had. Als wij dit genealogische verslag lezen, zullen wij zien hoe dit past in de beschrijving van de vijf broeders van Lukas 16.

Dit zijn nu de geslachten van Ezau, die Edom is (Gen. 36:1).

Edom betekent “ROOD”, en naarmate we verder komen in deze studie, leren we dat Edom past in de Bijbelse beschrijving van het Mysterie Babylon van Openbaring 18, dat ROOD-COMMUNISME is.

Ezau nam zijn vrouwen van de dochters van Kanaän: Ada, de dochter van Elon, den Hethiet, en Aholibamah, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, den Hiviet.

En Bashemoth, de dochter van Ismaël, zuster van Nebajoth.

En Ada baarde Ezau (1) Eliphaz, en Bashemoth baarde (2) Reuel.

En Aholibamah baarde (3) Jeush, en (4) Jaalam, en (5) Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem in het land Kanaän geboren zijn. (Gen. 36:1-5)

ESAU HAD VIJF ZONEN, en door de Schrift heen zul je af en toe plaatsen vinden waar het woord “broeders” ouders en kinderen omvat. Esau past duidelijk in deze beschrijving van het hebben van vijf “broeders” in zijn huis.

Zo woonde Esau op de berg Seir: Ezau is Edom (Gen. 36:8).

Dit zijn de zonen van Ezau, die Edom is, en dit zijn hun hertogen (Gen. 36:19).

. . de kinderen van Seir in het land van Edom. (Gen. 36:43)

. …dat is Ezau, de vader van de Edomieten. (Gen. 36:43)

We zien hier dat “Seir,” de naam van de plaats waar Ezau-Edom zich vestigde, verwisselbaar is met de naam “Edom.”

Volgens in Genesis 36 trouwde Ezau in de lijn van de Kanaänieten, en om een vreemde en profetische reden werd Ezau daarna bekend onder de naam EDOM, wat ROOD betekent, en nu de kleur is van het wereldcommunisme.

U zult zich herinneren dat de Edomieten al eeuwenlang de vijanden van Israël zijn. De kleinzoon van Ezau, Amalek, was de vader van de Amalekieten, die de eerste vijanden waren die Israël aanvielen nadat zij uit Egypte waren gekomen. God zei over de Amalekitische tak van Edom:

. . . Ik zal de herinnering aan Amalek van onder de hemel uitroeien.

. . . Want de Here heeft gezworen dat de Here oorlog zal voeren met Amalek van geslacht tot geslacht. (Exo. 17:14, 16)

Het boek van Obadja de profeet is een profetie van één bladzijde over het huis van Esau-Edom (inclusief Amalek) dat in vlammen opgaat:

Het visioen van Obadja. Zo zegt de Here God over Edom; wij hebben een gerucht van de Here gehoord, en een gezant is gezonden onder de heidenen; staat op, en laat ons tegen haar opstaan in de strijd.

Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht. (Obadja 1, 2)

De volgende dertien verzen beschrijven hoe Edom door de eeuwen heen tegen Jakob-Israël zou werken. Hij beschuldigde Edom ervan tegen Jakob en Juda te komen in de dag van hun rampspoed; hij beschuldigde hen ervan dat zij Jeruzalem probeerden te veroveren. Dan, beginnend met vers 15, laat Obadja zien dat dit een eindtijd profetie is:

Want de dag des Heren is nabij over alle heidenen; zoals gij gedaan hebt, zo zal het u geschieden; uw loon zal op uw eigen hoofd wederkeren.

Met andere woorden, God zei, wat u probeert te doen zal zich keren en u vernietigen.

Want zoals gij gedronken hebt op mijn heilige berg, zo zullen alle heidenen dan gedurig drinken; ja, zij zullen drinken, en zij zullen slikken.

Maar op de berg Sion zal bevrijding zijn en heiligheid, en het huis van Jakob zal zijn bezittingen bezitten.

En het huis van Jakob zal in vlammen opgaan, en het huis van Jozef in vlammen, en het huis van Ezau in rook opgaan, en zij zullen in hen ontbranden, en hen verteren. . (Obadja 15-18)

Met andere woorden, Esau in Obadja en de rijke man in Lukas 16 zouden een identiek lot ondergaan; zij zouden beiden in een “vlam” terechtkomen. Obadja vervolgt:

. . en van het huis van Esau zal niemand meer overblijven, want de Here heeft het gesproken. (vs.18)

Dat dit een profetie is die nog vervuld moet worden aan het einde van de tijd blijkt uit het laatste vers in Obadja, dat luidt:

En er zullen redders opstaan op de berg Sion om het gebergte van Ezau te richten; en het Koninkrijk zal van de Here zijn. (vs.21)

In Lukas 16 roept de rijke man iemand aan die gezag heeft, “Vader Abraham”, en vraagt hem om een beetje water. Wij weten dat water het Woord van God voorstelt, en dat volgens de Nieuwe Schrift, als iemand naar het Woord van God vraagt, dat God dan zijn Geest op hem zal uitstorten en hem het Woord zal doen verstaan. (Jakobus 1:5)

Nu wilde deze rijke man slechts een klein beetje van het Woord, nauwelijks genoeg om een verschil te maken. Als hij zo in vuur en vlam stond, waarom wilde hij dan maar een klein druppeltje water op zijn tong?

De Farizeeërs hadden de Schriften tot hun beschikking, maar zij wilden er niet meer dan een heel klein beetje van hebben. Zij gaven er de voorkeur aan de “traditie van de oudsten” (Marcus 7:5) te volgen, terwijl zij slechts een klein gedeelte van de Schrift geloofden en onderwezen. Jezus zei tot hen:

. . . Gij verwerpt zeer zeker het gebod Gods, opdat gij uw eigen traditie moogt behouden.

Door uw traditie, die gij overgeleverd hebt, wordt het Woord van God van generlei waarde. (Markus 7:9, 13).

De rijke man, die Abraham “Vader” noemde, kan dus zowel met de Esau-Edomieten als met de Farizeeën vereenzelvigd worden. Hoe kan de rijke man beide tegelijk vertegenwoordigen? Het antwoord is te vinden in Jezus’ woorden, opgetekend in Johannes 8:

Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en zijn nooit in slavernij geweest voor een mens. (vs 33.)

Jezus gaf toen toe dat zij Abrahams Zaad waren.

Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt…

Aan de ene kant waren zij Abrahams nakomelingen (zaad), en Christus gaf zelfs toe dat zij dat waren, maar toch ontkenden zij dat zij ooit “in slavernij van een volk” waren geweest, en Jezus sprak hen NIET tegen.

Omdat zij nooit “in slavernij met wie dan ook” waren geweest, waren zij niet in de Egyptische slavernij met Israël. Welk volk kan “Abrahams zaad” zijn, en toch niet in Egyptische slavernij verkeren? De nakomelingen van Jakobs broer, Esau-Edom, natuurlijk! Hoewel Esau de kleinzoon van Abraham was, evenals Jakob (zij waren een tweeling), gingen noch hij noch zijn nakomelingen met Jakob en zijn kinderen Egypte binnen.

Nadat Jezus de bewering van de Farizeeën had bevestigd dat zij “het zaad van Abraham” waren, ontkende Hij dat zij Abrahams KINDEREN waren:

Indien gij Abrahams kinderen waart, zoudt gij de werken van Abraham doen. (vers 39)

In deze passage, door Jezus’ eigen woorden met de Farizeeën, vinden we dat de Joodse Farizeeën aanspraak konden maken op afstamming van Abraham, maar NIET (nooit?) “de kinderen van Abraham” genoemd konden worden.

In Genesis 22 noemde God Abrahams zoon Izaäk, “uw enige zoon,” (vs.2) en Hij zei dat “in Izaäk zal uw zaad genoemd worden.” (Gen. 21:12). Met andere woorden, zij die van Abraham afstammen via Ismaël en Ezau kunnen beweren het ZAAD van Abraham te zijn, maar alleen zij die geboren zijn uit Izaäk en Jakob kunnen de KINDEREN van Abraham genoemd worden. De Bijbel noemt de Ismaëlieten en Edomieten NOOIT KINDEREN, maar zowel het Oude als het Nieuwe Schrift noemen de Israëlieten vele honderden keren KINDEREN. Bijvoorbeeld, Paulus sloot Ismaël en Ezau uit met de woorden:

Noch, omdat zij het zaad van Abraham zijn, zijn zij allen kinderen, maar in Izaäk zal uw zaad genoemd worden. (Rom. 9:7)

Dus, de Bijbel identificeert de Joodse Farizeeën als zijnde het zaad van Abraham, maar NIET Abrahams kinderen. Wij weten natuurlijk uit historische bronnen dat bijna twee eeuwen eerder de Judeeërs het gehele Edomitische volk onder de voet liepen en hen dwongen de godsdienst van de Judeeërs aan te nemen (zie Josephus, Ant., Bk. 13, ch. 15, par. 4). Later verkreeg Herodes, een half-Edomiet, het gezag over de Israëlieten in Palestina door alle leden van het Sanhedrin, het rechterlijke en godsdienstige orgaan van de Judeeërs, op één na te doden en te vervangen door mannen van zijn eigen ras. Zo namen de Edomieten de burgerlijke en religieuze heerschappij over de Israëlieten over. De Edomieten werden “Ioudiërs” genoemd, in de King James Bijbel vertaald als “Joden”, maar Jezus veroordeelde(vernederde) de Edomitische Farizeeërs bitter bij elke gelegenheid.

In het verhaal dat Jezus Abraham liet vertellen aan de rijke man in vers 26: En daarnaast is er tussen ons en u een grote kloof, zodat zij, die van hier tot u willen komen, niet tot ons kunnen komen, evenmin als zij die van daar willen komen.

Hieruit blijkt dat de nakomelingen van het volk dat de rijke man voorstelde, totaal verhinderd worden om tot Abraham of “Abrahams boezem” te komen. De “kloof” is “gefixeerd”, d.w.z. zij kan niet worden doorbroken, veranderd, of gepasseerd.

Deze uitdrukking past bij de toekomstige toestand van de Farizeeërs die afstammen van de Esau-Edomieten, want Esau verloor het Abrahamitische geboorterecht toen hij het verkocht aan Jakob (Gen. 25). Het Nieuwe Testament in Hebreeën 12:16-17 verifieert dat Esau, hoewel hij het eerstgeboorterecht terug wilde, niet in staat was het terug te krijgen, “want hij vond geen plaats voor berouw (geen manier om van gedachten te veranderen), al zocht hij het zorgvuldig met tranen.” Esau’s verachting van het eerstgeboorterecht en de verkoop ervan aan zijn broer Jakob (Israël) “legde” de “grote kloof” vast tussen zijn nageslacht en Jakobs nageslacht dat “Abrahams boezem” zou erven, de Abrahamitische beloften.

De bijna 2000 jaar oude geschiedenis van het Christendom heeft bewezen dat er een grote kloof bestaat tussen de joods-farizeese nakomelingen van Esau-Edom en de erfgenamen van de Abrahamitische geboorterechtbeloften. Dit werd verwoord door de Joodse schrijver Maurice Samuels in zijn boek “Jullie heidenen” op pagina 9, waar hij schrijft: “Ik vermoedde vanaf het eerste begin van Joods zelfbewustzijn, dat er tussen jullie heidenen (christenen) en ons Joden een onoverbrugbare kloof ligt.”

Dat totale onvermogen van de Edomitische Joden om christelijke erfgenamen te worden van de Abrahamitische beloften is wat Jezus openbaarde toen hij Abraham de rijke man liet vertellen dat het geen zin had om een verrezen Christus te prediken aan de Esau-Edomieten, omdat zij toch niet de Abrahamitische verbonden en beloften konden beërven. De “kloof” lag “vast”.

Dat de Esau-Edomieten zelfs Mozes en de Profeten niet geloofden, laat staan een opgestane Jezus, wordt vervolgens door Jezus geopenbaard in Abrahams antwoord aan de rijke man, nadat de rijke man Abraham had gevraagd Lazarus naar zijn vijf broeders te sturen. . .

. Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten; laat hen naar hen horen.

En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar indien iemand uit de doden tot hen zou komen, zouden zij zich bekeren.

En hij zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook niet overtuigd worden, al ware het, dat iemand uit de doden opstond. (Lucas 16:29-31)

Abrahams antwoord klinkt misschien als een onchristelijk antwoord, dus laten we eens kijken hoe Christus Zelf met een soortgelijke situatie omging. In Johannes 5 sprak Jezus tot de schriftgeleerden en Farizeeën, die wij reeds hebben geïdentificeerd als passend bij de beschrijving van de rijke man. Zij haatten Jezus en smeedden een plan om hem te doden. (Johannes 5:18)

En gij hebt Zijn woord niet in u wonen; want wie Hij gezonden heeft, die gelooft gij niet.

Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en deze zijn het, die van Mij getuigen.

En gij wilt niet tot Mij komen, opdat gij leven moogt hebben.

De Schriften zijn gericht tegen een specifiek volk, de nakomelingen van Esau-Edom, de eeuwenoude vijanden van Jakob-Israël, in Jezus’ tijd bekend als de Joodse schriftgeleerden en Farizeeën.

Moderne predikanten verbergen, door delen van het verhaal verkeerd te interpreteren en andere delen helemaal niet uit te leggen, voor christenen volledig de Waarheid die Jezus in deze gelijkenis openbaarde, dat niet alleen de mensen die “Joden” worden genoemd in werkelijkheid Esau-Edomieten zijn en geen Israëlieten, maar dat de Almachtige God een “grote kloof” heeft “gemaakt” zodat zij nooit gelovigen of volgelingen van Jezus Christus zullen worden.

Denkt niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; er is Iemand, die u aanklaagt, zelfs Mozes, op wie gij vertrouwt (of beweert te vertrouwen). (Johannes 5:38-40)

Want indien gij Mozes geloofd hadt, zoudt gij Mij geloofd hebben; want hij heeft van Mij geschreven.

Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij mijn woorden geloven? (Johannes 5:45-47)

Jezus zei dat de schriftgeleerden en Farizeeën de Schriften wel hadden, en zij beweerden de geschriften van Mozes te geloven. De rijke man uit Lukas 16 beweerde ook dat Abraham zijn vader was, en zijn broeders hadden de geschriften van Mozes. Maar omdat zij weigerden Mozes en de profeten te geloven, weigerden zij ook Christus te geloven, hoewel Hij uit de doden opstond.

Wij concluderen dus dat de rijke man uit Lukas 16 NIET zomaar een goddeloos persoon is die stierf en daarna in een letterlijk vuur werd gemarteld. In plaats daarvan vertegenwoordigt hij in het verhaal een specifiek volk, de nakomelingen van Esau-Edom, de eeuwenoude vijanden van Jakob-Israël, in Jezus’ tijd bekend als de Joodse schriftgeleerden en Farizeeën.

In de gelijkenis liet Jezus de rijke man in vers 30 zeggen dat zijn broeders (Ezau-Edomieten, zoals we hebben gezien) zich zouden bekeren “als iemand uit de dood tot hen zou komen”. Jezus liet Abraham in vers 31 antwoorden dat zij zich NIET zouden bekeren, “al zou iemand uit de doden opstaan”. Het was Jezus Christus zelf die later opstond uit de dood en Zijn waarheid werd bewezen toen niet alleen de Edomitische Joden zich NIET bekeerden toen Jezus verscheen na Zijn opstanding, maar zij ook begonnen met het vervolgen en doden van allen die wel geloofden en de opgestane Jezus volgden. Hun nakomelingen zijn doorgegaan met het haten, bespotten, belasteren en in het geheim oorlog voeren tegen de volgelingen van Jezus gedurende bijna 2000 jaar. De Edomitische Joden hebben geen berouw getoond en deze gelijkenis van Jezus leert duidelijk dat dit ook niet het geval zal zijn.

Door de valse interpretatie van deze gelijkenis door de predikanten en evangelisten, weten de meeste Christenen niet dat Jezus leerde dat deze Edomitische Joden, die zich voordoen als Israëlieten, NIET bekeerd zullen worden, dat de grote kloof “vast staat”, zij kunnen niet oversteken. Hun vader Ezau verkocht zijn, en hun, geboorterecht en zij kunnen het niet terugkrijgen, al zoeken zij het met tranen!

Omdat deze gelijkenis niet correct wordt onderwezen in de kerken, zijn de meeste Christenen totaal misleid over de moderne Joden en hun ware plaats in de Bijbelse Profetie. Moge dit boek hun ogen openen voor de Waarheid.

Wij hebben alle Bijbelstudies op deze website geplaatst zodat u deze op elk moment, op uw gemak, kunt lezen. 

>