• Home
  • Geef de duivel zijn verdiende loon – “Duivels uitdrijven”
2 december, 2022
Sheldon Emry

Laten we eens kijken naar het uitdrijven van duivels zoals in de Schrift staat. Er schijnen in het Nieuwe Testament gevallen te zijn waarin boze geesten of demonen door Jezus en Zijn discipelen uit mensen worden geworpen. Drie van zulke gevallen komen voor in Mattheüs.

“En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk. En het gerucht van Hem drong door tot in geheel Syrie; en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden, en Hij genas hen.” Mattheüs 4:23-24

Het woord “lunatick” betekent “gek geworden door de werking van de maan”. Blijkbaar hadden sommigen duivels en werden anderen gek gemaakt door de werking van de maan. Als je het ene gelooft, kun je net zo goed het andere geloven.

“Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen,” Mattheüs 8:16

“Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem. En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme. En de scharen verbaasden zich en zeiden: Zo iets is nog nooit in Israel voorgekomen!” Mattheüs 9:32-33

In het algemeen, waar de Bijbel zegt dat duivels in mensen worden uitgedreven, wordt het woord “duivel” vertaald van het Griekse woord “daimonion” of het equivalent daarvan. Het is van “daimonion” dat wij ons Engels woord “demon” krijgen. Wanneer er sprake is van een individuele duivel, zoals degene die Jezus verleidde, is het woord “diabolos”, wat heel anders is – wat het Grieks betreft.

Ik ga nu een ander boek citeren, dat mij enige tijd geleden door iemand werd toegestuurd, waarin de auteur uit andere bronnen citeert waarom men in die tijd mensen met lichamelijke of geestelijke afwijkingen aanduidde als hebbende demonen of duivels. Hij spreekt over het woord “daimonion,” zelf, en zegt:

“Het was de naam die de Grieken gaven aan wezens waarvan zij dachten dat ze in de lucht bestonden en een bemiddelende rol speelden tussen God en de mens ten goede of ten kwade.

“Deze denkbeeldige wezens zouden in het Deze denkbeeldige wezens in het Engels worden uitgedrukt als “demon”, “kwade genius” of “voogdij godheid”, die alle tot de heidense mythologie behoren en geen plaats hebben in de waarheid. Wij citeren de volgende opmerkingen over dit onderwerp uit Parkhurst’s Greek Lexicon, een voorbeeld van de oorsprong van het idee”.

Vervolgens citeert hij enkele bijbelverzen in zowel het Oude als het Nieuwe Testament waarin deze mensen zogenaamd onderworpen zijn aan een soort van “macht van de lucht”. Dat was wat de Grieken beschouwden als deze demonen.

Nogmaals een citaat van deze auteur:

“Het meest beeldend zijn de woorden van Plato in Sympos: ‘Elke demon is een tussenwezen tussen God en sterfelijke mensen.’ Als je vraagt wat hij bedoelt met ‘middenwezen’ zal hij je zeggen: “God wordt niet onmiddellijk door de mens benaderd, maar alle handel en omgang tussen goden en mensen geschiedt door bemiddeling van demonen.” Wilt gij de bijzonderheden zien? Demonen zijn verslaggevers en dragers van de mensen tot de goden en, weer, van de goden tot de mensen en, van de smeekbeden en gebeden van de een, en van de bevelen en beloningen van toewijding van de ander. Naast deze oorspronkelijke materiële bemiddelaars of de intelligentie die in hen woont, die Appelias een hogere soort demonen noemt, die altijd vrij zijn van de bezwaring van het lichaam, en uit welke hogere orde Plato veronderstelt dat voogden werden aangesteld mannen, erkennen de heidenen nog een andere soort, namelijk de zielen van mensen die na de dood vergoddelijkt of heilig verklaard zijn.”

“Volgens de Grieken waren er twee soorten demonen. De ene soort waren slechts geesten van de lucht en de andere waren werkelijke zielen van mensen die gestorven waren. Zo zegt Hessiad, een van de oudste heidense schrijvers, die dat gelukkige mensengeslacht beschrijft dat in het eerste en gouden tijdperk van de wereld leefde, dat zij na de dood van dit geslacht door de wil van de grote Jupiter tot demonen werden gepromoveerd, bewaarders van sterfelijke mensen, waarnemers van hun goede en kwade werken, bekleed met lucht, altijd wandelend over de aarde, schenkers van rijkdommen en dit, zegt hij, is de koninklijke eer die zij genieten.

Volgens de Griekse mythologie hebben deze demonen de macht om mensen dingen te geven of te onthouden.

“Plato is het met Hessiad eens en zegt: “Hij en vele andere dichters spreken uitstekend die beweren dat wanneer goede mensen sterven, zij grote eer en waardigheid bereiken en demonen worden. Dezelfde Plato, op een andere plaats, beweert dat: Allen die dapper in de oorlog sterven, behoren tot de gouden generatie van Hessiad en worden demonen en dat wij voor altijd hun graven moeten dienen en aanbidden als de graven van demonen. Zo ook,” zegt hij, “verordenen wij telkens wanneer iemand van hen die uitmuntend goed waren in het leven, sterft, hetzij van ouderdom of op een andere manier.”

Goede mensen worden dus demonen en volgens Plato moeten wij hen vereren.

“Volgens Plutarchus was het een zeer oude opvatting dat er bepaalde boze en kwaadaardige demonen waren die goede mensen benijden en trachten hen te storen en te hinderen in het nastreven van deugdzaamheid, opdat zij, standvastig in goedheid en onkreukbaar, na de dood een beter lot zouden krijgen dan zij zelf genieten.”

Dus, demonen proberen je naar beneden te halen, zodat je een slechtere demon wordt dan zij zijn.

Dan zegt de auteur van dit artikel dit:

“Christus’ gelijkvormigheid aan de volkstaal verplichtte Hem niet tot volkse waanideeën. In één geval erkent Hij blijkbaar de god van de Filistijnen.”

“Als ik door Beëlzebub duivelen uitdrijf, door wie doen uw zonen dat dan?” (Lucas 11:19)

“Beëlzebub’ (of Baalzebub) was de god van de vliegen, een god die door de Filistijnen werd aanbeden, volgens 2 Koningen 1:6. Christus, die de naam gebruikt, neemt niet de moeite om stil te staan bij het feit dat Beëlzebub een heidense fictie was, maar schijnt eerder, omwille van het argument, aan te nemen dat Beëlzebub een realiteit was”.

Vervolgens wijst hij erop dat het feit dat Jezus hen niet berispte en hen vertelde dat Beëlzebub niet bestond, niet betekent dat Jezus geloofde dat hij bestond. Jezus sprak met hen alsof hun goden echt waren, en dat waren ze voor hen ook.

Dit vereist een beetje meer studie, want het uitdrijven van demonen of duivels wordt heel wat keren in de Bijbel genoemd. Laten we dus verder lezen, vanaf het punt waar we waren in Mattheüs 9, waar Jezus deze duivel of demon uitdreef en de stomme sprak:

Maar de Farizeeën zeiden: Hij drijft duivels uit door de vorst van de duivels. En Jezus trok rond in alle steden en dorpen, onderricht gevend in hun synagogen, en predikende het evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. Mattheüs 9:34

Telkens wanneer het idee werd geopperd dat er een leider of een vorst van de duivels was, zien we dat het de Joodse Farizeeën waren die het naar voren brachten. In de bovenstaande passage beschuldigen zij Jezus ervan dat Hij duivels uitdreef door de vorst van de duivels.

Wat gebeurde er? Jezus antwoordde hen niet eens. Hij ging gewoon door met Zijn werk, het genezen van zieke mensen.

De krankzinnige man en de zwijnen stormloop

Hoe zit het met het uitdrijven van de duivels in de varkens? In Marcus, hoofdstuk vijf, wordt het verhaal in meer detail verteld:

“En zij kwamen aan de overkant der zee in het land der Gerasenen. En toen Hij uit het schip ging, kwam Hem terstond uit de grafsteden een mens tegemoet met een onreine geest” Marcus 5:1-2

In het verhaal in Mattheus acht, waren er twee mannen. Hier is er maar één. Dit kan dus niet hetzelfde incident zijn. Er kunnen twee soortgelijke incidenten zijn geweest. Verder in Marcus:

Die zijn woning had tussen de graven, en niemand kon hem binden, nee, niet met kettingen: Want hij was dikwijls gebonden geweest met ketenen en boeien, en de ketenen waren door hem uiteengerukt, en de boeien in stukken gebroken; en niemand kon hem temmen.

“die verblijf hield in de graven, en niemand had hem meer kunnen binden zelfs niet met een keten, want hij was dikwijls met voetboeien en ketenen gebonden geweest en de ketenen waren door hem stukgetrokken en de voetboeien vernield, en niemand was bij machte hem te bedwingen. En voortdurend, nacht en dag, was hij in de graven en in de bergen, schreeuwende en zichzelf met stenen slaande. En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe, viel voor Hem neder, en zeide, roepende met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt. Want Hij zeide tot hem: Onreine geest, ga uit van deze mens. En Hij vroeg hem: Hoe is uw naam? (5-10a) En hij zeide tot Hem: Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk. En hij smeekte Hem dringend hen niet buiten het land te zenden. Nu werd daar bij de berg een grote kudde zwijnen gehoed. En zij smeekten Hem, zeggende: Zend ons in de zwijnen, dat wij daarin varen. En Hij stond het hun toe. En de onreine geesten gingen uit en voeren in de zwijnen; en de kudde, ongeveer tweeduizend, stormde langs de helling de zee in en zij verdronken in de zee.” Markus 5:3-13

Als je verder leest, ontdek je dat de mensen die in dat gebied woonden, ontdekten wat er gebeurd was. Zij kwamen naar buiten en vroegen Jezus om te vertrekken.

“En toen Hij in het schip ging, smeekte de bezetene Hem, dat hij bij Hem mocht blijven. Doch Hij stond het hem niet toe, maar Hij zeide tot hem: Ga naar uw huis tot de uwen en bericht hun al wat de Here in zijn ontferming u gedaan heeft.” Markus 5:18-19

Volgens de moderne terminologie was de man duidelijk krankzinnig. Veel mensen die als krankzinnig worden beschouwd hebben geestelijke afwijkingen door gifstoffen in hun lichaam, gebrek aan bepaalde voedingsstoffen, of een lichamelijk letsel aan hun hoofd. Zij hebben niet noodzakelijkerwijs een demon in hun lichaam om deze geestelijke afwijkingen te veroorzaken of om ongewone kracht te tonen. Dit is niet ongewoon.

Is het mogelijk dat, toen Jezus deze duivels of demonen uitdreef, Hij niets meer of minder deed dan een persoon genezen die een of ander lichamelijk gebrek had? Dat verklaart nog steeds de zwijnen niet, of wel? Denk eens even na. Van blinde mensen werd gezegd dat zij een demon hadden en Jezus dreef die uit en genas hen. Hetzelfde gold voor mensen die stom waren of ziek door een of andere ziekte die ze misschien hadden. Hier hebben we een man die raaskalt, krankzinnig is, van wie gezegd wordt dat hij een duivel of een demon heeft, en Jezus drijft die uit en geneest hem. Ik beweer niet dat Jezus de mensen probeerde te laten zien dat demonen niet bestonden. Hij ontkende het niet. Hij genas de mensen gewoon. Maar, bedenk dit: Jezus onderwees ook in gelijkenissen. Toen de discipelen Hem vroegen waarom, zei Hij: “Omdat zij de waarheid niet begrijpen.” Jezus stond toe dat bepaalde mensen geestelijk blind bleven door in gelijkenissen te onderwijzen. Moeten wij er op staan dat Jezus iedere persoon verlichtte met wie Hij in contact kwam? Zou Hij hen hebben toegestaan in hun eigen onwetendheid en bijgeloof voort te gaan en hen hebben laten geloven dat demonen bestonden? Het is duidelijk dat God toestaat dat de heidenen doorgaan met het aanbidden van valse goden.

Psalm 96:5 zegt dat de goden der volken afgoden zijn, en Paulus schrijft dat afgoden niets zijn. In Jesaja, hoofdstukken 41 tot en met 45, doet God veel moeite om Israël te vertellen dat er geen andere goden naast Hem zijn, Hij is de enige God. Maar God heeft de niet-Israëlieten blijkbaar niet gecorrigeerd. Zij geloven nog steeds in andere goden. Waarom houden wij vol dat Jezus de niet-Israëlieten moest corrigeren in hun valse geloof over demonen? Als Hij hen toestond een leugen te geloven door in gelijkenissen te onderwijzen, waarom aanvaarden wij dan niet dat Hij hen toestond een leugen te geloven door “demonen” uit te drijven en hen toe te staan dat te blijven geloven?

Het geloof in een ware God scheidt Israël van de heidenen

Er is nog een ander principe in het spel dat hierop het antwoord kan zijn. In Exodus 33 heeft Israël gezondigd en God heeft gedreigd niet met Israël het Beloofde Land in te gaan.

Hier spreekt Mozes spreekt tot God:

“En hij zeide tot Hem: Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken. Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn.” Exodus 33:15-16

Hoe wordt Israël afgezonderd van alle mensen op aarde? Het is alleen Israël dat de enige ware God aanbidt. Mozes zei dat dit ons zal scheiden van alle andere volken op aarde.

Eerder noemde ik een boek getiteld Wereld Mythologie. Het is een prachtig uitgevoerd, zeer groot boek met bladzijde na bladzijde afbeeldingen en tekeningen van beelden, afgoden en goden. Voor de heidenen zijn dit hun goden en zij geloven erin. God, de Almachtige, heeft hen tot op de dag van vandaag niet van die leugen ontdaan. Hij heeft toegestaan dat zij in hun waanvoorstellingen geloven. In feite zendt God sterke waanideeën naar de mensen die de waarheid niet willen geloven (2 Thessalonicenzen 2:10-12). Waarom is het dan niet mogelijk, dat de schijnbare bewijzen van demonen, waarover wij zoveel horen in de heidenwereld, niet iets is dat God toelaat, zodat zij in hun valse goden blijven geloven.

Israël blijft gescheiden van alle volkeren der aarde doordat het het enige volk op aarde is dat de ware God van de Bijbel aanbidt. In feite is een van de belangrijkste bewijzen in de wereld van vandaag dat wij het Israëlitische volk zijn, het feit dat wij de God van de Bijbel aanbidden. Andere rassen aanbidden andere goden. Dat is wat God tegen Mozes zei in dit gesprek in Exodus.

Micha vier is een profetie over het Koninkrijk. Eén vers van deze profetie is voor mij verwarrend geweest, totdat het in deze studie over de duivel juist zin begon te krijgen. De verzen zes en zeven van hoofdstuk vier verwijzen naar de heropname van het Israëlitische volk:

“Te dien dage, luidt het woord des HEREN, zal Ik het kreupele verzamelen en het verstrooide bijeenbrengen, en degenen over wie Ik kwaad heb doen komen. En Ik zal het kreupele stellen tot een overblijfsel en het verdrevene tot een machtig volk, en de HERE zal Koning over hen zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.” Micha 4:6-7

Wij weten dat dit spreekt over de hereniging van het Israëlitische volk naar dit grote, Noord-Amerikaanse continent, waarvan wij weten dat het het Sion van de Bijbelse profetie is. Het is het vers dat aan deze twee voorafgaat dat voor mij erg verwarrend was:

“Want alle volkeren wandelen elk in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de HERE, onze God, voor altoos en immer.” Micha 4:5

Dat was niet logisch voor mij voordat ik deze studie deed. Wat betekent het? Het betekent dat, in de tijd van Israëls hereniging, de niet-Israëlieten allemaal hun eigen godsdiensten en hun eigen goden zouden hebben en dat alleen Israël de ware God van de Bijbel zou aanbidden.

Zoals ik eerder heb gezegd, heeft God het geloof van de heidenen in valse goden of zelfs in demonen nog niet weggenomen. Jezus genas mensen die genezen wilden worden of wier familieleden of vrienden Hem vroegen te genezen. Hij ” dreef demonen uit”. De niet-Israëlieten gingen gewoon door met het geloven in demonen, net zoals zij vroeger hadden gedaan en Jezus corrigeerde hen niet, net zomin als Hij de niet-Israëlieten corrigeerde toen Hij in gelijkenissen sprak, zodat zij het niet zouden begrijpen. De Bijbel maakt duidelijk dat je het Woord van God alleen kunt begrijpen door de gave van de Heilige Geest. Mensen die de Heilige Geest niet hebben, kunnen de Bijbel niet begrijpen. God laat hen in onwetendheid, net zoals Jezus de heidenen achterliet in hun onwetende geloof in duivels en demonen.

Boodschapper van Satan: Vleselijke Natuur

Er is door de eeuwen heen veel gespeculeerd over de volgende verzen:

“en ook om het buitengewone van de openbaringen. Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.” 2 Korintiërs 12:7-9

Sommigen zeggen dat deze “doorn in het vlees” een lichamelijke handicap was. Sommigen geloven dat het een soort demon moet zijn geweest, omdat Paulus het “de boodschapper van Satan” noemde. Hij bad dat het hem zou verlaten, maar het ging niet weg. Wat was het dan? Ik geloof dat het niets meer of minder was dan de vleselijke natuur van de mens, waar Paulus mee te kampen had, net als iedere andere christen. De oude mens sterft nooit, hij wordt alleen onder controle gebracht. Deze vleselijke natuur was “de boodschapper van Satan.” Het is gemakkelijker om Romeinen zeven te begrijpen, als we geloven dat 2 Korintiërs deze betekenis heeft.

Sommigen hebben zich afgevraagd of Paulus geen razende gek was toen hij sommige verzen van het zevende hoofdstuk van Romeinen schreef. De wet was tegen hem, de wet was voor hem. Hij kon geen beslissing nemen:

Is dan dat wat goed is mij dood geworden? God verhoede het. Maar de zonde, opdat zij zonde zou blijken, heeft door het goede de dood in mij gewerkt; opdat de zonde door het gebod meer dan zondig zou worden. Want wij weten, dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want wat ik doe, sta ik niet toe; want wat ik wil, dat doe ik niet; maar wat ik haat, dat doe ik. Als ik dan doe wat ik niet wil, stem ik toe met de wet dat zij goed is. Nu ben ik het niet meer, die het doe, maar de zonde, die in mij woont. Romeinen 7:13-17

Paulus zegt dat hij probeert het goede te doen, maar dat er iets in hem is dat hem het kwade laat doen. Hij vindt het niet leuk, maar het gebeurt. Dan probeert hij de wet te volgen en wordt hij geteisterd door de vleselijke mens in hem, net zoals dat in iedere christen het geval is. Er zijn mensen in de wereld die God heeft overgegeven aan deze vleselijke natuur. Wij noemen hen de heidenen, de vleselijke mens, of de natuurlijke mens. De duivel in hen is hun volledige en totale heerser.

Wij, als christenen, hebben Gods Wet gekregen voor ons verstandelijk begrip en de Geest om ons te bewegen de Wet te gehoorzamen.

Daarom is er een oorlog in ons gaande, waarin wij een overwinnaar kunnen zijn. De heidenen kunnen niet winnen, zij zijn altijd het slachtoffer en verliezen de oorlog. Israël verliest niet, zolang zij het Woord lezen, het Woord tot zich nemen, het Woord bestuderen en het gehoorzamen. De apostel Paulus wilde dat de oorlog zou eindigen. Ik geloof dat hij tot God bad om er een eind aan te maken en God zei nee tegen hem. God zei dat Zijn kracht voldoende was en dat Hij verheerlijkt werd door de zwakheid van Paulus. Het feit dat wij niet volmaakt zijn, verheerlijkt God wanneer wij Hem gehoorzamen. God wordt verheerlijkt omdat wij zwak zijn en onderworpen aan de zonden van het vlees. Door Zijn Woord, Zijn Geest en Zijn Kracht, doen wij wat goed is in tegenstelling tot wat verkeerd is.

Paulus zegt:

“want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.” Romeinen 7:22-25

Ik geloof dat de begeerte van het vlees datgene is waarvan Paulus had gevraagd dat het zou worden weggedaan en dat niet werd weggedaan, net zo min als dat het geval is bij welke christen dan ook. Wij leven ons hele leven met die oude vleselijke mens, die oude duivel, die oude satan. We voeren een oorlog tegen hem. Deze “duivel” is, zoals je kunt zien, geen grote, bovennatuurlijke, altijd levende aartsengel die ons verleidt. Die verleiding komt van binnenuit ons en blijft daar. Maar door de Kracht en de Geest en het Woord van Jezus, wordt de duivel, of satan, ondergeschikt gemaakt.

Denk er ook aan, dat zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe, God altijd de zondaar beschuldigt van de zonde. Toen Israël zondigde, zei God nooit dat “de duivel” hen verleidde. In plaats daarvan zei Hij hun dat zij gezondigd hadden en onder het oordeel zouden komen, totdat zij zich van hun zonde zouden afkeren en Hem zouden volgen. Hetzelfde is waar in het Nieuwe Testament. Het is altijd het individu dat van de zonde beschuldigd wordt en aangespoord wordt om te gehoorzamen en zich van de zonde af te keren. Die boodschap wordt altijd aan Israël gegeven. God heeft de heidenen nooit een boek gegeven waarin staat dat zij Zijn wet moeten volgen. Hij gaf die alleen aan Israël.

Het bestaan zelf van deze demon, of duivel, of Satan, of wat het ook is dat in ons lichaam, in onze geest en in ons hart woedt, en ons vermogen om het te overwinnen door het Woord en de Kracht en de Geest van God, onderscheidt ons van elk ander ras op aarde. De andere rassen geloven in die demonen, maken er goden van en vereren ze. Zij tekenen afbeeldingen van die “goden”, zij maken standbeelden van hen en bouwen tempels voor hen. God zegt ons wat wij met die demonen en duivels moeten doen: onderwerp ze aan de macht van Christus en geef geen plaats aan de duivel.

God staat toe dat heidenen in onwetendheid blijven

Hoe zit het met de varkens die in het water gingen? Gelooft u dat demonen water in hun longen krijgen en verdrinken als ze het water ingaan? Gelooft u werkelijk dat er demonen waren die uit deze man kwamen en met de varkens het water in gingen? Of genas Jezus een man en deed Hij iets dat de heidenen in hun zonde en hun ongerechtigheid liet? Ik ben meer geneigd het laatste te geloven. Daar komt nog bij dat dit één van de twee plaatsen is waar Jezus eigendom vernietigde. Jezus vernietigde een onrein dier dat zij niet mochten grootbrengen, aanraken of eten. Dus door Zijn daad gaf Hij hun een les in de Wet, die zij blijkbaar negeerden en niet geloofden. Het lijkt er bijna op dat sommige “demonen” hoorbaar spraken. Maar is het niet mogelijk dat de Almachtige God toeliet dat er stemmen te horen waren, zodat de heidenen in hun onwetendheid bleven? Maar laten we ons niet aansluiten bij de heidenen in die onwetendheid!

Sommige christelijke zendelingen in heidense landen beweren bewijzen te hebben gezien van demonen die daadwerkelijk mensen rondgooiden, in lichamen sneden en mensen in andere talen lieten spreken, dingen uitsprekend die een mens zogenaamd niet zou kunnen uitspreken. Is het niet vreemd dat dit soort activiteiten niet voorkomt onder christelijke Israëlgelovigen wanneer zij Gods Woord volgen? Het gebeurt altijd in heidense landen, onder het volk dat God toestaat in valse goden te geloven.

Wij moeten de absolute en totale soevereiniteit van God aanvaarden. Wat het ook is dat de heidenen geloven, het hoeft niet te bestaan, behalve in hun eigen gedachten en in dingen die God veroorzaakt om hen sterke waanvoorstellingen te zenden, zodat zij een leugen zullen geloven.

“Gij zijt van uw vader, de duivel”

Over vreemd gedrag en het hebben van een demon gesproken: in Lucas zeven zond Johannes de Doper mannen uit om naar Jezus te informeren en wij vinden dat de vijanden van Christus zeiden dat Johannes de Doper een demon had. In hoofdstuk acht van Johannes, had Jezus het volgende te zeggen tegen de schriftgeleerden en Farizeeën:

Gij zijt van uw vader de duivel [diabolos], en de begeerten uws vaders zult gij doen. Hij is een moordenaar van den beginne, en blijft niet in de waarheid, want er is geen waarheid in hem.

“Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.” Johannes 8:44

In Jeremia lezen we dat het hart boven alle dingen wanhopig is. Deze mensen aanbaden de zonde in tempels die feitelijk zijn opgegraven in het oude land Kanaän. Deze daden van zonde zijn in strijd met de Wet van God. God zei tegen hen: “Gij zijt van uw vader, de duivel.”Met andere woorden, zij waren van de god die zij aanbaden, en dat was de zonde of de duivel.

“Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt.” Johannes 8:47

Jezus zei tegen deze schriftgeleerden en Farizeeën dat zij niet in staat waren het bestaan of niet bestaan van andere goden te begrijpen, omdat zij Gods Woord niet kunnen horen.

“De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt en bezeten zijt? Jezus antwoordde: Ik ben niet bezeten, maar Ik eer mijn Vader, en gij onteert Mij.” Johannes 8:48-49

De grote superduivel niet in de Bijbel!

Omdat Hij zich tegen hen verzette, werd van Jezus gezegd dat Hij een duivel had of een “daimonion” in het Grieks. We weten uit vers 49, hierboven, dat Jezus geen “duivel” had. Of deze duivels of demonen nu geesten, boze geesten, of kwade invloeden zijn, zij zijn altijd vrij beperkt in hun uitwerking. Dit is waar in het hele Nieuwe Testament. Meestal is er maar één persoon bij betrokken. De schade aan de bezetenen is gewoonlijk zeer gering en beperkt tot die persoon en, in een paar gevallen, iemand die door hen werd verwond. Demonen waren altijd onderworpen aan Jezus, aan Zijn discipelen, en aan Zijn naam. Zij schenen geen invloed te hebben op naties of koninkrijken. Zij schenen een persoon geen grote geestelijke kracht te geven. In feite was hun effect precies het tegenovergestelde. De “bezeten” persoon werd wat wij “krankzinnig” zouden noemen. Echter, ongeacht wat je gelooft over de demonen die in het Nieuwe Testament werden uitgedreven, deze passages kunnen op geen enkele manier worden gebruikt om een grote super demon, super verleider, super duivel, aartsengel, Satan, of wat dan ook op te bouwen.

Om een en ander op te helderen, gaan we nog wat meer lezen over Satan in het Nieuwe Testament. In Markus acht vonden we dat Petrus een satan was omdat hij Jezus tegenwerkte in wat Jezus moest doen wat betreft gekruisigd worden. In Lucas lezen we over een satan die Judas Iskariot binnenging:

“Het feest nu der ongezuurde broden, dat Pascha genoemd wordt, naderde. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem uit de weg konden ruimen, want zij waren bang voor het volk. En de satan voer in Judas, genaamd Iskariot, die tot het getal der twaalven behoorde. En hij ging heen en besprak met de overpriesters en hoofdlieden, hoe hij Hem aan hen zou overleveren. En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven.” Lucas 22:1-5

Als Judas werkelijk handelde als de agent van een grote aartsengel, waarom wilde hij het dan doen om geld te krijgen? De aartsengel zou toch geen geld nodig hebben gehad? Nee, Judas handelde in gehoorzaamheid aan zijn eigen lust en verlangen naar geld, naar lof, of wat dan ook. Als we verder lezen in dit hoofdstuk, komen we bij een paar vreemde verzen:

“Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen.” Lucas 22:31-32

Het lijkt erop dat Jezus zei dat deze grote aartsengel Simon Petrus wilde hebben. Maar, zou dit iets te maken kunnen hebben met wat er kort daarvoor gebeurd was?

“Er ontstond ook onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden. Hij zeide tot hen: De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd.” Lucas 22:24-25

Jezus berispte hen omdat zij twistten over wie van hen de grootste onder Hem zou zijn. Zij zwichtten voor de begeerten van het vlees, voor hun eigen ego, voor hun eigen verlangen om groot te zijn. Jezus zei tegen Simon: “Satan wilde jou.” Wat wilde Simon? Zijn eigen ego of verlangen.

In 1 Timoteüs, lezen we:

“Deze opdracht vertrouw ik u toe, mijn kind Timoteus, overeenkomstig de profetieen, die vroeger aangaande u zijn uitgesproken, opdat gij, u daarnaar richtend, de goede strijd strijdt met geloof en met een goed geweten. Omdat sommigen dit hebben verworpen, heeft hun geloof schipbreuk geleden. Tot hen behoren Hymeneus en Alexander, die ik aan de satan heb overgegeven, opdat hun het lasteren worde afgeleerd.” 1 Timoteüs 1:18-20

Paulus zei dat sommige gelovigen zich van het geloof hadden afgekeerd. Zij konden moeilijk aan de grote aartsengel, Satan, overgeleverd zijn, want Satan zou hen zeker niet “geleerd hebben niet te lasteren”, of wel? Ik geloof dat zij werden overgeleverd aan de begeerten van het vlees, aan het verderf dat over hen zou komen doordat zij zich van het geloof hadden afgekeerd, en dat zij daardoor zouden “leren niet te lasteren”. Hetzelfde staat geschreven in 1 Korintiërs, hoofdstuk vijf:

“Inderdaad men spreekt van hoererij onder u, en zulk een hoererij, als zelfs onder de heidenen niet voorkomt, dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader.” 1 Korintiërs 5:1

“Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus, leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren.” 1 Korintiërs 5:4-5

Paulus zegt dat deze zondaar die ontucht had gepleegd aan Satan moest worden overgeleverd tot verderf van het vlees. Wat bedoelde hij daarmee? Hij bedoelde dat ze de zondaar moesten overleveren aan zijn eigen zonde. In de volgende verzen zegt Paulus:

“Uw roem deugt niet. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.” 1 Corinthiërs 5:6-7

Zij moesten deze man, die opzettelijk zondigt, eruit schoppen en hem aan zijn zonde overleveren, opdat het vlees vernietigd zou worden. Paulus zegt duidelijk niet dat ze deze zondaar moeten overleveren aan een letterlijke grote aartsengel.

Hoofdstuk twee van Openbaring bevat een andere passage die uitleg behoeft:

En schrijf aan de engel der gemeente te Pergamos: Dit zegt Hij, die het tweesnijdend scherpe zwaard heeft: Ik weet uw werken, en waar gij woont, ja, waar de zetel des satans is; en gij houdt mijn naam vast, en hebt mijn geloof niet verloochend, ja, in die dagen, waarin Antipas mijn getrouwe martelaar was, die onder u gedood werd, waar satan woont. Openbaring 2:12-13

De satan van de kerken woont in een plaats die “Hel” of “Hades” heet. Johannes vertelt deze kerk in Pergamos dat zij precies daar zijn waar Satan’s zetel is. De geschiedenis geeft ons het antwoord hierop. Pergamos was het centrum van de antichristelijke activiteit in die tijd. Er waren daar mensen die probeerden de christenen en het evangelie van Christus te vernietigen. Dat blijkt uit Johannes’ verwijzing naar een martelaar als zijnde “gedood onder u, waar Satan woont.” Waar had hij het over? Hij had het over de tegenstanders, of hun vijanden. “Satan’ wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gebruikt om eenvoudigweg je vijand, of je tegenstander te betekenen.

Bij onderzoek hebben we gezien dat, van de vele passages in de Bijbel die lijken te spreken over een grote “Duivel, of een Satan,” van bijna alle passages kan worden aangetoond dat ze die theorie niet ondersteunen. De grote gevallen aartsengel ontbreekt volledig op de bladzijden van het Oude Testament. Zelfs de woorden die door de kerken gebruikt worden, zoals “Duivel”, “Slang” en “Lucifer”, zijn of verkeerd gebruikt of, in het geval van “Lucifer”, verkeerd vertaald en zouden niet eens in de Bijbel mogen staan. Dus de grote, de Duivel, verdwijnt als we naar hem zoeken in de bladzijden van het Oude Testament. De grote van Openbaring 12, die slang, die oude draak, die de duivel wordt genoemd, is duidelijk een beschrijving van een groot wereldrijk met verschillende hoofden, die koningen en naties voorstellen.

Velen van hen die leren dat de slang van Genesis 3 de slang of Satan van Openbaring is, leren dat deze slang van Genesis 3 zo mooi en knap was dat Eva voor hem viel en hem begeerde vanwege zijn schoonheid. Maar kunt u zich voorstellen dat een Adamvrouw zou vallen voor en seksueel intiem zou willen zijn met een wezen met zeven koppen en met horens op die koppen? Het moet een heel ander schepsel zijn. De slang staat voor “de sluwe”, maar het zevenkoppige beest uit de Openbaring is niet de slang uit Genesis drie.

In de meeste gevallen in zowel het Oude als het Nieuwe Testament waar de titel “tan” wordt gebruikt, betekent het eenvoudig “tegenstander” of “tegenstrever”. We zagen dat op veel van die plaatsen de persoon werd genoemd of zijn titel werd gegeven en dat hij een sterfelijk mens was. In de meeste gevallen kan “satan” of “de duivel” door elkaar gebruikt worden met de woorden “zonde”, “begeerte om te zondigen” of “begeerten van het vlees”.

David werd een “satan” toen hij Israël telde (2 Samuël 24:1-2 & 1 Kronieken 21:1). Judas werd een “satan” toen hij geld wilde hebben om Jezus te verraden. Petrus werd een “satan” toen hij probeerde zich te bemoeien met Gods plan om Jezus te kruisigen (Matteüs 16:23). Hun daden kwamen voort uit hun hart, uit wat zij dachten of verlangden, in tegenstelling tot dat wat God had gepland.

Laat mij tot slot citeren uit een geschrift van meer dan 100 jaar geleden over wie of wat de duivel van de Bijbel is:

“De grote Satan, of tegenstander, die ieder mens heeft te vrezen en die hem voortdurend neigt tot een koers die tegengesteld is aan de wijsheid en godsvrucht, is de neiging van de louter dierlijke instincten om voor eigen rekening te handelen. Deze neiging is de geest of de neiging van het vlees, die krachtig onderdrukt moet worden, wil een mens buiten de weg van het kwade blijven. De waarheid alleen, die de uiting en de kracht van de Geest is, zal hem hiertoe in staat stellen. Als hij zich overgeeft aan het vlees, wandelt hij op de weg des doods.

(Romeinen 8:13: “Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.”).

Het doel van het Evangelie dat door Paulus naar de heidenen werd gezonden, was om hen van de duisternis tot het licht en van de macht van Satan tot God te brengen. Onwetendheid of duisternis is de grote macht van de tegenstander die in ons op de loer ligt, want waar een mens onwetend is over Gods wil, heeft het vlees een heersende macht over hem. De heidenen zijn van God vervreemd in Efeziërs 4:18 door de onwetendheid die in hen is.

Verlichting door het horen van het Woord schept een nieuwe mens in zich die, in de loop van de tijd, de oude mens doodt die verdorven is, naar de bedrieglijke begeerte, of hem althans onder (onderwerping) houdt opdat de nieuwe mens geen wegwerping wordt.

Introduceer de actieve, samenzwerende, intelligente duivel van de orthodoxie en het hele beeld wordt veranderd en in verbijsterende verwarring gebracht. Maar hij kan niet worden geïntroduceerd.

“Onze ervaring verbiedt het.”

Conclusie

Ik zeg dit: als je de Satan uit de kerken zou verwijderen, zouden de christenen veel dingen beseffen. Zij zouden beseffen dat de antichristen – de vijanden van de christenen – mensen van vlees en bloed zijn die van de zonde hun god maken. Als opzettelijke zondaars die weigeren zich te bekeren en zich te keren, moeten zij gestraft worden onder Gods wet. Als wij hen zouden aanklagen voor het verderf dat zij in de wereld veroorzaken, in plaats van een “duivel” aan te klagen, zouden wij een begin maken met het verwijderen van de afzonderlijke goddelozen die Jezus Christus, de christenen en het christendom bestrijden. Tegelijkertijd zouden wij, door te erkennen dat onze eigen grote tegenstander onze eigen vleselijke lusten in ons lichaam zijn, gemakkelijker begrijpen wat het IN ONS is dat onder controle gebracht moet worden, opdat wij, van Israël, de Levende en Ware God kunnen dienen.

Wij zouden waarlijker zien en begrijpen dat wij Gods dienaren moeten zijn en dat wij oorlog moeten voeren tegen onze eigen vleselijke natuur. En wij zouden begrijpen dat God andere rassen en volkeren en wezens heeft toegestaan om in niet-bestaande goden te geloven voor Zijn doel om Israël tot correctie te roepen.

God schiep de mens met wat wij een gebrek zouden kunnen noemen: de natuurlijke neiging om te zondigen (in de Schrift “ongerechtigheid” genoemd). Door dat gebrek, door sommigen “Satan” of “de Duivel” genoemd, zijn wij zondaars. Het is gedaan tot eer van God, opdat Hij ons in het nieuwe tijdperk volmaakt, zondeloos en eeuwig levend zou doen herrijzen – en opdat wij zouden begrijpen dat dat volmaakte leven, dat zondeloze leven, dat eeuwige leven niet voortkomt uit iets wat wij ooit gedaan hebben, maar uit Gods barmhartigheid. God zal onze corrupte natuur veranderen in een onomkoopbare, en we zullen altijd leven in een Koninkrijk waar we geen duivel (geen inherente corrupte natuur) hebben om ons te verleiden. Loof God.

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>