• Home
  • De tien verloren stammen van Israël – Waar zijn de tien stammen?
7 december, 2022
Kolonel G.J. van Loon

Maar hoe is ’t nu met de rest van Israël? Daar mogen we niet over zwijgen. Daar wordt veel te gemakkelijk over gezwegen. Als men het over de Joden heeft, dan spreekt men zo maar over Israël, alsof de Joden het zelfde zijn als heel Israël, maar de Joden zijn maar het kleinste deel van het 2 Stammenrijk, maar hun broeders van de 10 stammen hoe staat het daarmee?

Ze zijn in 721 voor Christus door de Assyriërs in ballingschap verdreven en wat is er van hen geworden? Wie heeft nog ooit van die 10 stammen gehoord. Ze zijn nooit meer teruggekeerd naar Palestina, zoals de stammen van Juda, maar dat betekent niet dat we nu verder over de 10 stammen niets meer te zeggen hebben.

God heeft ook voor die 10 stammen vele malen nadrukkelijk beloften van terugkeer gesproken. We mogen die 10 stammen niet als afgedaan en voorgoed verdwenen beschouwen. Wie de tien stammen heeft afgeschreven en beweert: die zijn verdwenen en daarmee uit, die moet het woord van God geweld aandoen en vele voor geen tweeërlei uitleg vatbare duidelijke beloften uit Gods Woord wegschrappen. Maar als het ons ernst is met ons zingen van: “God zal Zijn Waarheid nimmer krenken maar eeuwig Zijn Verbond gedenken” dan mogen en moeten we ook de terugkeer en het herstel van de 10 stammen nog verwachten en dan ook de bekering der Joden tot Christus. Pas dan zullen de beloften aan heel Israël vervuld zijn.

Wat de 10 stammen betreft moeten we om te beginnen letten op de bijzondere positie die Efraïm heeft ontvangen. Efraïm is de leidersstam van het 10 Stammenrijk. Als de Here door Zijn profeten over het tienstammenrijk spreekt dan wordt dat dikwijls aangeduid met de naam Efraïm. Het twee Stammenrijk wordt Juda genoemd het 10 Stammenrijk wordt Efraïm genoemd. Die voorkeursplaats voor Efraïm vinden we al in de allervroegste tijd van de 12 patriarchen, namelijk bij de zegen over de 12 stamhoofden is gesproken. Tweemaal zijn de 12 stammen elk met name gezegend, eerst door vader Jakob en later nog eens door Mozes.

Nu zijn we er zó aan gewend alleen te letten op de unieke verkiezing van Juda, die de stamvader van onze Zaligmaker Jezus Christus mocht worden en daarom de koningsstam van David mocht zijn, dat we eigenlijk verzuimen er op te letten hoe wonderlijk het bij die zegening door Jakob is toegegaan.

U vindt dat in Genesis 48. Toen Jakob op sterven lag heeft hij al zijn 12 zonen één voor één gezegend. U vindt de zegeningen in Genesis 49. Maar éérst heeft Jakob de beide zonen van Jozef, Manasse en Efraïm geadopteerd als zijn eigen zonen.

Daarmee krijgt Jozef het EERSTGEBOORTERECHT=DUBBEL ERFDEEL. Een heel merkwaardig feit, dat eigenlijk uniek is in de geschiedenis, dat een vader van 12 zonen twee van zijn kleinzonen adopteert als eigen zonen, als broeders van de elf anderen Lees maar Genesis 48:5.”En nu, uw beide zonen, die u in het land Egypte geboren zijn, voordat ik tot u naar Egypte gekomen was, zij zijn de mijne; Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn.”

Dus Efraïm en Manasse komen op één lijn met Ruben, Simeon en de anderen. Omdat dus Jozef dubbel geteld wordt in Efraïm en Manasse komen we tot een totaal van 13 stammen vaders, maar de stam Levi krijgt als de priesterstam een uitzonderingspositie, Levi krijgt geen erfgrond en daarom zijn er toch maar 12 stammen over wie het land verdeeld zal worden.

De zegen aan Efraïm als leidersstam

In het vervolg van Genesis 48 lezen we dan dat Jakob éérst Efraïm en Manasse afzonderlijk zegent en dan niet in de orde van de eerstegeboorte, maar de jongere Efraïm krijgt de voornaamste zegen.

Jakob zegt van de oudste, Manasse, in vers 19 “Ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder (dat is Efraïm) groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid van volken worden.”

Een volheid van volken, dat herinnert aan de zegen over Abraham.

Genesis 17:4-6 “Wat Mij aangaat, zie, mijn verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.”

Maar wie kan in de Bijbelse geschiedenis aanwijzen waar en wanneer Efraïm tot een volle menigte van volken is uitgegroeid? En toch is hij met die belofte gezegend. En lees eens in Genesis 48:17-22. welke bijzondere zegen deze zonen van Jozef ontvangen.

“Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op Efraïms hoofd gelegd had, was dat verkeerd in zijn ogen, en hij greep de hand van zijn vader om die van Efraïms hoofd te verleggen naar het hoofd van Manasse. En Jozef zeide tot zijn vader: Zo niet, mijn vader, want deze is de eerstgeborene, leg uw rechterhand op zijn hoofd. Maar zijn vader weigerde het en zeide: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; nochtans zal zijn jongere broeder groter zijn dan hij, en diens nageslacht zal een volheid van volken worden. En hij zegende hen te dien dage: Met u zal Israël zegen toewensen door te zeggen: God make u als Efraïm en als Manasse. En hij plaatste Efraïm vóór Manasse. En Israël zeide tot Jozef, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt.”

En in hem, speciaal in hem, (Efraïm) zal Jakobs naam en die van zijn vaderen Abraham en Izaäk voortleven. En deze voorkeursplaats voor Jozef zonen blijkt weer uit Genesis 48:20. “..En hij plaatste Efraïm vóór Manasse.”

En pas als Efraïm en Manasse als erfgenamen van Jakob gezegend zijn dan komen daarna alle 12 zonen aan de beurt. Juda krijgt wel een opvallende zegen. Genesis 49:8-12. “Juda, ú zullen uw broeders loven de scepter zal van Juda niet wijken.. totdat Silo komt.” Juda ontvangt de bijzondere Messiaanse Koningszegen.

Maar we moeten er vooral niet overheen lezen dat in deze reeks toch Jozef weer de uitvoerigste en rijkste zegen ontvangt, vijf verzen lang

Genesis 49:22-26

Vers 26 “De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene zijn broeders.”

Jozef, de uitverkorene onder zijn broeders. Duidelijk ontvangt Jozef dus de éérste plaats, de plaats van de uitverkorene onder zijn broeders. En hier heeft heus niet het vlees van vader Jakob gesproken, die Jozef als lieveling voortrok. In deze zegen heeft Jakob geprofeteerd als een instrument van de Heilige Geest.

Dan ziet u bevestigd bij de zegen van Mozes over de twaalf stammen, in Deuteronomium 33. Opvallend is hoe sóber Mozes over Juda spreekt.

Deuteronomium 33:7 “En dit betreft Juda. Hij zeide: Hoor, Here, de stem van Juda en brengt hem tot zijn volk; zijn handen strijden voor hem, en wees Gij hem een hulp tegen zijn tegenstanders.”

Maar hoe uitbundig en uitvoerig is weer de zegening voor Jozef, verreweg de langste en de rijkste van allemaal.

Deuteronomium 33:13-17 “Van Jozef zeide hij: Zijn land zij door de Here gezegend met de kostelijke gave des hemels, met de dauw, en met de watervloed die beneden ligt; met de kostelijkste gave, die de zon voortbrengt, en met de kostelijkste gave, die de maan doet uitspruiten; met het uitnemenste der aloude bergen, en met de kostelijkste gave der eeuwige heuvelen, en met de kostelijkste gave van de aarde en haar volheid; met het welbehagen van hem, die in de braamstruik tegenwoordig was; dat moge komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkoren onder zijn broeders. De eersteling zijner runderen in zijn trots en diens horens zijn horens van een woudos; daarmee zal hij de volken stoten, alle einden der aarde. Dit zijn de tienduizenden van Efraïm en dit zijn de duizend van Manasse.”

En daar wordt in vers 16 Jozef wéér genoemd de uitverkorene onder zijn broeders. En wie kan zeggen wanneer gebeurt is wat in vers 17 staat, dat Jozef als met de horens van een woudos – in de Statenvertaling staat “Eénhoorn”- “de volken zal stoten, alle einde der aarde.”?

En toch is dit over Efraïm en Manasse geprofeteerd. Laat niemand zeggen dat dit verouderde profetieën uit het Oude Testament zijn, want dat zou de betrouwbaarheid van Gods Woord aanranden.

En let nu eens op een hoogst merkwaardige bijzonderheid uit Hebreeën 11. Het bekende hoofdstuk waarin ons een ganse reeks geloofshelden wordt getekend. Wat wordt daarin Hebreeën 11 als bijzondere geloofsdaad van Jakob genoemd. Wat is het enige dat de schrijver van Hebreeën 11 waard vindt om van Jakob te vermelden? U raadt het vast niet, omdat u er vermoedelijk altijd overheen gelezen hebt, maar als enige geloofsdaad van Jakob wordt in Hebreeën 11:21 vermeldt.

“Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder der zonen van Jozef gezegend en hij heeft aangebeden, leunende op het uiteinde van zijn staf.”

Dus nóg in het Nieuwe Testament wordt door een apostel van Christus met nadruk herinnerd aan de wonderlijke bijzondere zegen voor Efraïm en Manasse!

Maar nu vraag ik U: wat is er van Efraïm en Manasse terecht gekomen? Efraïm, het 10 Stammenrijk is in 721 in ballingschap gevoerd door Assyrië. Wat is er dan van die zegen terecht gekomen. Horen we na 721 niets meer over Efraïm? Ze zijn nooit teruggekeerd uit de Assyrische ballingschap, maar is dat het laatste wat we van Efraïm kunnen zeggen: in 721 gedeporteerd, in ballingschap verstrooid en sindsdien verdwenen?

Maar dan willen we tot slot letten op de overvloed van beloften waarin God door Zijn profeten telkens weer belooft de terugkeer, óók van de 10 stammen de terugkeer uit hun ballingschap, van de 10 stammen uit Assyrië. En uit de uithoeken der aarde, zoals Mozes al geprofeteerd had in Deuteronomium 30:3-5.

“Dan zal de Here, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Here, uw God, u verstrooid heeft. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Here, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; de Here, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijk maken dan uw vaderen.”

We beginnen met Amos 9:9. Dus nog ongeveer 40 jaar vóór de ballingschap t.w. Jerobeam II

“Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis Israël onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.”

Korte tijd na Amos treedt Jesaja op als profeet.

Jesaja 11:11-16.”En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Pathros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamath en in de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einde der aarde. Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen en zij die Juda benauwen, zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal niet afgunstig zijn op Juda en Juda zal Efraïm niet benauwen. Westwaarts zullen zij de Filistijnen op de schouders vliegen samen zullen zij de stammen van het Oosten plunderen; naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken en de Ammonieten zullen hun onderhorig zijn. Dan zal de Here de zeeboezem van Egypte met de ban slaan en Hij zal zijn hand tegen de Rivier bewegen met de gloed van zijn adem, en Hij zal haar tot zeven beken uiteenslaan en maken, dat men geschoeid daardoor kan gaan. dan zal er een heerbaan zijn voor de rest van zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israël geweest is ten dage, toen het optrok uit het land Egypte.”

Jesaja 49:5-6 “Maar nu zegt de Here, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht, om Jakob tot Hem terug te brengen en om Israël tot Hem vergaderd te doen worden – en ik werd geëerd in de ogen des Heren en mijn God was mijn sterkte – Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reikte tot het einde der aarde.”

Lees voor u zelf Jesaja 60 en 62. Vervolgens Jeremia 3:14-18

“Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des Heren, want Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion, en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand. Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord des Heren, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des Heren; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet meer zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden. Te dien tijde zal men Jeruzalem noemen de troon des Heren, en alle volken zullen zich daarheen verzamelen om de naam des Heren te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen naar de vestoktheid van hun boos hart. In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb.”

Vers 16. Let vooral op die merkwaardige woorden..dat ziet dus kennelijk op een tijd in het Nieuwe Verbond, als de ark al lang heeft afgedaan.

Dan Jeremia 31:7-12, 17, 20 “want zo zegt de Here: Jubelt van vreugd over Jakob, juicht om het hoofd der volkeren, verkondigt, looft en zegt: de Here heeft zijn volk verlost, het overblijfsel van Israël. Zie, Ik breng hen uit het land van het noorden en verzamel hen van de einden der aarde; onder hen blinden en lammen, zwangeren en barenden tezamen; in een grote schare zij hierheen terug keren. Onder geween zullen zij komen en onder smeking zal Ik hen leiden; Ik zal hen voeren naar waterbeken op een effen weg, waarop zij niet struikelen. Want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm, die is mijn eerstgeborene. Hoort het woord des heren, o volken, verkondigt het in verre kustlanden en zegt: Hij, die Israël verstrooide, zal het verzamelen en het behoeden als een herder zijn kudde. Want de Here maakt Jakob vrij en verlost hem uit de macht van wie sterker is dan hij. Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des Heren, naar koren, most en olie, naar schapen en runderen; hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten.”

“Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord des Heren, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren.”

“Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weder aan hem denken moet? Daarom is mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des Heren.”

En vergeet u nu vooral niet dat Jeremia geprofeteerd heeft in de laatste 40 jaar van het koninkrijk Juda onder de koningen Josia t/m Zedekia zie Jeremia-3.

Dat betekent dat Efraïm toen al meer dan 100 jaar geleden in ballingschap was gevoerd, verstrooid en verdwenen. Ruim een eeuw lang had niemand meer iets over de 10 stammen gehoord, maar dan nog zegt God: Efraïm is mijn eerstgeborene: Efraïm is mijn lievelingszoon: mijn troetelkind.

Vervolgens Jeremia 33:6-9, 17-26. 46:27-28 “Zie, Ik zal haar genezing schenken en herstel, Ik zal hen genezen en hun schat van bestendige vrede ontsluiten; ja, Ik zal een keer brengen in het lot van Juda en Israël en hen opbouwen als weleer; Ik zal hen reiniging van al hun ongerechtigheid waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben, en Ik zal hun vergeven al hun ongerechtigheden, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben en van Mij afvallig geworden zijn. dan zal zij Mij tot een blijde naam worden, tot lof en eer bij alle volkeren der aarde, die van al het goede dat Ik aan hen doe, horen zullen; ja, zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en al het heil, dat Ik haar doe.”

En dan Ezechiël hij verklaart in hoofdstuk 1:2 dat hij geroepen werd in het vijfde jaar der ballingschap van Koning Jojachin, dat is in 592 v.Chr, dus 130 jaar na de wegvoering in ballingschap van de tien stammen, ook Ezechiël profeteert de terugkeer van de weggevoerde 10 stammen.
Ezechiël 36:16-32; 37:11-14; 37:15-23; 39:25-29. Lees deze teksten eens door.

En tenslotte Zacharia, die profeteerde tussen 520 en 480 v.Chr, dus twee tot twee en een halve eeuw na Efraïm ballingschap, als Juda al weer is teruggekeerd bij de tempel in Jeruzalem.

Zacharia 10:6-12 “Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef verlossen; ja Ik zal hen terugbrengen, omdat ik Mij over hen ontferm, en zij zullen worden, alsof Ik hen niet verworpen had. Want Ik ben de Here, hun God, en Ik zal hen verhoren. Dan zullen zij als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verheugen als een van wijn; ook zullen hun zonen het aanschouwen en zich verheugen, hun hart zal jubelen in de Here, Ik zal hen tot Mij fluiten en hen vergaderen, want Ik bevrijden hen, en zij zullen even talrijk worden als zij waren. Wel zaai Ik hen onder de volken, maar in verre streken zullen zij aan Mij denken; zo zullen zij leven met hun kinderen, en terugkeren. Ja, Ik zal hen terugbrengen uit het land Egypte, en hen uit Assur vergaderen; Ik zal hen brengen naar het land Gilead en de Libanon; doch dit zal voor hen niet toereikend zijn. Dan zal men in benauwdheid door de zee trekken, en in de zee de golven slaan; en alle diepte van de Nijl zullen uitdrogen. Zo zal de trots van Assur neerstorten, en de scepter van Egypte zal verdwijnen. Ik zal hen sterken in de Here, en in zijn naam zullen zij wandelen, luidt het woord des heren.”

Er zou nog wel meer te noemen zijn, maar me dunkt dit is wel meer dan genoeg om te bewijzen hoezeer het de Here ernst is geweest om door Zijn profeten met grote kracht deze heerlijke beloften te geven over de toekomstige terugkeer uit ballingschap en de vereniging van Efraïm en Juda tot Gods vernieuwde ene volk Israël.

Deze beloften zien op een tijd in de nieuwe bedeling, blijkens Jeremia 3:16 .”Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land in die dagen, luidt het woord des heren, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des Heren; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.”

De bedeling waarin wij nu leven, (zie ook Handelingen 1:6-7) die vervulling zal komen, daar staan Gods beloften garant voor.

Handelingen 1:6-7 “Zij dan die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft.”

De vraag van de discipelen is niet of de Here het koningschap voor Israël zal herstellen maar: WANNEER, in deze tijd, of later? De discipelen gaan er blijkbaar in hun vraag vanuit DAT Jezus het koninkrijk Israël zal herstellen. Was dat een onjuiste voorstelling van de discipelen? Het antwoord van Jezus geeft alleen maar reden om aan te nemen dat het uitgangspunt van de discipelen juist was.

Dat inderdaad een herstel van het koninkrijk Israël door Jezus te verwachten is. Want in vers 7 zegt Jezus niet: U vergist u in uw verwachting, neen alleen: U mag niet weten wannéér, op welke tijd, bij welke gelegenheid dat zal gebeuren.

Maar Zijn koninkrijk komt zo zegt Hij, in zijn gebed het Onze Vader.

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>