• Home
  • De tien verloren stammen van Israël – De Egyptische ballingschap
7 december, 2022
Kolonel G.J. van Loon

Deze is twee eeuwen van te voren aan Abraham aangekondigd. In Genesis 15:13-16 voorzegt God aan Abraham dat zijn nageslacht vier eeuwen in een vreemd land verdrukt zal worden, maar het vierde geslacht zal naar het beloofde land terugkeren.

“En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zal verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Acolieten niet vol.”

De grondlegging van Israëls volksbestaan is de verlossing uit de Egyptische ballingschap. Dat geeft aan Gods volk deze typerende trek: het heeft zijn bestaan te danken uitsluitend aan Gods reddend ingrijpen.

Een slavenvolkje, dat reddeloos ten ondergaan gedoemd was onder de verdrukking van Egypte, zo’n volk wordt Gods uitverkoren volk.

Maar wanneer dat volk niet meer van Gods genade wil leven zal het Gods gunst verliezen en door God verworpen en verstrooid. Een voorproef van Gods wrekende én verlossende gerechtigheid over Israël heeft ’t volk al ontvangen in de veertigjarige omzwerving in de woestijn, die we de Mozaïsche ballingschap zouden kunnen noemen.

Israël stond al aan de poort van het beloofde land, maar ze vertrouwden niet op God, ze lieten zich bang maken voor de reuzen in Kanaän en toen werden ze voor straf 40 jaar lang weer de woestijn in gedreven. Maar dus niet definitief; na veertig jaar komt er verlossing en dat is profetie van heel Israëls toekomst: -worden ballingschap en verdrukking. Maar ten laatste, als de benauwdheid van Gods volk tot het diepte punt is gekomen zal God een wonderlijke keer brengen in hun lot en hen verlossen en herstellen in heerlijkheid.

Verdrukking en ballingschap zal nooit het einde van Gods volk betekenen, maar tenslotte zal God wederkeer en herstel geven. Dat heeft God uitdrukkelijk door de mond van Mozes beloofd. Door Mozes heeft God de latere ballingschappen al aangekondigd, maar door Mozes heeft God óók al het uiteindelijke herstel beloofd.

In de aangrijpende hoofdstukken over zegen en vloek, Deuteronomium 28-30. wordt de ballingschap al aangekondigd. ZEVEN EEUWEN VAN TE VOREN:

Deuteronomium 28:36-37 “De Here zal u en de koning, die gij over u hebt aangesteld, naar een volk voeren dat gij niet kendet, gij noch uw vaderen; aldaar zult gij ander goden dienen, hout en steen. Gij zult een voorwerp van ontzetting worden, een spreekwoord en een spotrede onder alle volken, naar wier land de Here u wegvoert.”

Deuteronomium 28:63-68 “Zoals de Here er behagen in had om u wél te doen en u talrijk te maken, zo zal de Here er behagen in hebben om u te gronden te richten en te verdelgen; en gij zult weggerukt worden uit het land, dat gij in bezit gaat nemen. De Here zal u verstrooien onder alle natiën van de ene einde der aarde tot het andere; aldaar zult gij andere goden dienen, die noch gij noch uw vaderen gekend hebben: hout en steen. Gij zult onder die volken gen rust vinden noch rustplaats voor uw voetzool; de Here zal u daar een bevend hart geven, ogen volk heimwee en een kwijnende ziel. Zonder ophouden zal uw leven in gevaar verkeren; des nachts en des daags zult gij opschrikken en uw leven niet zeker zijn. Des morgens zult gij zeggen: Was het maar avond; en des avonds: Was het maar morgen – vanwege de vrees, die uw hart vervult, en vanwege het schouwspel, dat uw ogen zien. De Here zal u op schepen naar Egypte terugbrengen langs de weg, waarvan Ik u gezegd had: Gij zult die nooit weerzien; gij zult daar aan uw vijanden als slaven en slavinnen te koop aangeboden worden, maar er zal geen koper zijn.”

Maar uitdrukkelijk geeft de Here in Deuteronomium 30:1-10 de beloften van uiteindelijke verlossing en wederkeren en herstel.

Deuteronomium 30:1-10. “Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken, naar wier gebied de Here, uw God, u verdreven heeft, en wanneer gij u dan tot de Here, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel – dan zal de Here, uw God, in uw lot een keer brengen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied, uw God, u verstrooid heeft. Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Here, uw God, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; de Here, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijk maken dan uw vaderen. En de Here, uw God zal uw hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Here, uw God, liefheb met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft. De Here, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden en uw haters leggen, die u vervolgd hebben. Gij zult weer naar de stem des Heren luisteren en al zijn geboden volbrengen, die ik u heden opleg. De Here, uw God, zal u in overvloed het goede schenken bij al het werk uwer handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee, in de vrucht van uw bodem, want de Here zal weer behagen in u hebben, u ten goede, zoals Hij behagen had in uw vaderen – wanneer gij naar de stem van de Here, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in dit wetboek geschreven staan; wanneer gij u tot de Here, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel.”

En weer in Deuteronomium 31:14-29 wordt door God Israëls toekomstige afval en bestraffing aangekondigd, en daarom moet Mozes een lied dichten waarin de gang van Israëls geschiedenis van te voren geopenbaard wordt, een profetisch lied, een getuigenis tegen het volk, maar tegelijk een getuigenis van Gods trouw, die niet zal verlaten wat Zijn hand met Israël begon.

Want wel profiteert het lied de diepe vervloeking die over Israël zal komen nadat het Gods zegen versmaad zal hebben maar in vers 36 daagt het heel den verlossing: “..de Here zal recht doen aan Zijn volk en zich ontfermen over Zijn knechten wanneer Hij ziet dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben…” en het lied eindigt daarom met vers 43
“Jubelt, gij natiën, om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten, Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders en verzoent zijn land, zijn volk”.

Zo heeft God door Mozes de toekomst van Israël geschilderd en zou dit Woord van God niet waarachtig zijn zouden Gods beloften hun vervulling moeten missen?

Psalm 77:5 (ber:) “Zouden de eeuwen veranderingen kunnen brengen in de waarachtigheid van Gods woord? Neen, ons geloof steunt juist op de onvoorwaardelijke betrouwbaarheid van al Gods Woorden. Niet één van Zijn woorden zal uitwerken missen ook al moet het duizenden jaren duren voor de vervulling komt. Bij den Here Zijn ook hierin duizend jaren één dag

Wat kunnen we nu in Israëls geschiedenis terug vinden van deze profetieën van Mozes? Het is allemaal gegaan zoals we het in Deuteronomium 28, en 31 en 32 aangekondigd vinden. Israël is van God afgevallen, het is vreemde goden gaan dienen en zo heeft Israël Gods toorn verwekt.

Israëls scheuring in tien en twee stammen

En toen is dat verschrikkelijke in Israëls geschiedenis gebeurd, dat nog steeds niet weggenomen is, toen is het éne volk van de 12 uitverkoren stammen van Israël gescheurd in twee delen de Koningsstam Juda behield alleen maar de stammen Benjamin en Levi, maar onder leiding van Efraïm maakten zich de tien stammen van Davids huis los en formeerden een zelfstandig rijk met Samaria als hoofdstad.

Voortaan dus twee rijken naast en tegenover elkaar: het 10 Stammenrijk onder leiding van Efraïm en het 2 stammen rijk onder leiding van Juda. Deze scheuring was de straf voor de zonde van Salomo die zich door zijn vele vreemde vrouwen had laten verleiden om de afgoden te dienen.

Maar na de scheuring werd ’t nog veel erger. Het begon met de beeldendienst in het 10 Stammenrijk, met de verering van de gouden kalveren die Jerobeam in Dan en in Beth-el had laten oprichten en het ging voort tot afgoderij, corruptie afpersing, en allerlei zedeloosheid zowel in het Noordrijk van de 10 stammen als in het 2 Stammenrijk van Juda.

Toen is tenslotte de door Mozes uitgesproken bedreiging vervuld: de straf van de ballingschap is aan Israël voltrokken. Niet ineens voor alle stammen tegelijk, maar in twee fasen: éérst aan de 10 stammen.

De Assyrische ballingschap der 10 Stammen

In het jaar 721 v.Christus werd Samaria ingenomen en verwoest door de Asterisk koning Sargon en de 10 stammen van Israël werden in ballingschap gevoerd naar de onherbergzame streken in ’t verre Noorden van Assyrië. Dan is dus nog alléén het tweestammenrijk overgebleven. En hebben zij de vreselijke waarschuwing ten harte genomen en zich bevend tot den Here bekeerd zodat hun de straf van de ballingschap bespaard kon blijven?

Aanvankelijk nog wel; onder koning Hiskia, maar de schrik was gauw weer vergeten, en de profeten klagen dat Juda zich tenslotte nog erger verontreinigd heeft aan allerlei gruwelijke zonden, dan het broedervolk van de 10 stammen.

Ezechiël 23:11 “Hoewel haar zuster Oholiba dit zag, ontbrandde zij toch in nog feller hartstocht dan haar zuster en pleegde nog erger ontucht dan zij.”

Nog ruim een eeuw heeft God geduld gehad met de rest van Zijn volk in het beloofde land, maar toen kwam ook voor het onbekeerlijke twee Stammenrijk de ballingschap. Eerst gedeeltelijk in het jaar 604, en toen dat nog niet hielp, werd Nebudkadnezar door God geroepen, om Jeruzalem te verwoesten, de Heilige stad!, met tempel en al, en heel het volk van de twee stammen werd in ballingschap naar Babel gevoerd in het jaar 586 v.Christus. Maar de profeet Jeremia mocht al van te voren nog voor de komst van Nebukadnezar aankondigen dat deze ballingschap voor Juda niet langer dan 70 jaar zou duren.
2 Kronieken 36:21.
“Om het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan: totdat het land zijn sabbatsjaren vergoed gekregen heeft. Al de dagen die het woest lag, heeft het gerust, om zeventig jaar vol te maken.”

Jeremia 25:11-12 “Dan zal dat gehele land tot een oord van puinhopen, tot een woestenij worden. Deze volken nu zullen de koning van Babel dienstbaar zijn zeventig jaren, maar na verloop van zeventig jaren zal Ik aan de koning van Babel en dit volk, luidt het woord des Heren, hun ongerechtigheid bezoeken, ook aan het land der Chaldeeën, en Ik zal dat tot eeuwige woestenijen maken.”

De terugkeer van het twee stammen rijk uit Babel

Jeremia 29:10 “Want zo zegt de Here: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen.”

En zo is ’t ook vervuld: 70 jaar later gaf koning Cyrus verlof voor de terugkeer van de Joden naar Jeruzalem en Juda. De twee stammen zijn onder leiding van Zerubabel en Ezra en Nehemia teruggekeerd in het beloofde land en onder leiding van Hasgaï en Zacharia is de tempel herbouwd. Maar sinds hun terugkeer zijn de twee stammen toch niet weer een zelfstandig en vrij koninkrijk geworden. Ze bleven onderworpen, eerst aan het Perzische rijk, toen aan de Siriërs (denk aan de vrijheidsoorlogen onder de Maccabeërs) en tenslotte onder het Romeinse juk. En in die tijd, onder de Romeinse overheersing heeft het tweestammenrijk zich vergrepen aan zijn eigen Zaligmaker ze hebben Christus laten kruisigen en zo de maat van hun zonde tegen God vol gemaakt.

En toen zijn ze tot straf weer in ballingschap verdreven. En in het jaar 70.n.Christus hebben de Romeinen Jeruzalem ingenomen, en de tempel verwoest en de Joden zijn naar alle windstreken gevlucht en verdreven.

Maar de eeuwen door werd hun geen rust gegund. Het bloed van Christus bleef hen achtervolgen in eindeloze vervolgingen en verdrukkingen. Maar toen hun nood het hoogst gestegen was voor hen de vervulling van het lied van Mozes.

Deuteronomium 32:36 en 43 nabij “Want de Here zal recht doen aan zijn volk en Zich ontfermen over zijn knechten, wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is, van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben.”

“Jubelt, gij natiën, om zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn knechten, Hij oefent wraak aan zijn tegenstanders en verzoent zijn land, zijn volk.”
De bevrijding van Jeruzalem

Twee wereldoorlogen zijn nodig geweest om een keer te brengen in het lot van de Joden. Het begon tegen het einde van de eerste wereldoorlog: Toen de Engelsen onder aanvoering van generaal Allenby op 9 december 1917 Jeruzalem veroverden op de Turken werd de grondslag gelegd voor de terugkeer der Joden naar Palestina.

Aan de heerschappij der heidenen over Jeruzalem was na 19 eeuwen een einde gekomen. Maar eerst moest het dieptepunt nog komen voor de Joden. Eerst moest de gruwel van Hitlers nazirijk aan de macht komen waaronder er velen Joden werden omgebracht.

Na de tweede wereldoorlog keren de Joden terug naar Palestina waar zij op 14 mei 1948 hun eigen staat Israël vestigden. Na de ballingschap van 19 eeuwen worden Jeruzalem en Juda weer bewoond en in vrijheid geregeerd door het Joodse volk zelf. Let wel, het Jóódse volk, dat een kleine voortzetting van het twee Stammenrijk Juda. En onder hen zeer vele uit andere volken die Jood geworden zijn, maar niet tot het volk Israël behoren. Niet tot Juda zelf en zeker niet tot de tien stammen die nooit Jood zijn geweest.

Dat tweestammenrijk dat in 586 voor Christus door Nebukadnezar naar Babel werd verbannen dat 70 jaar later onder koning Cyrus weer naar Jeruzalem mocht terugkeren en dat in het jaar 70 na Christus opnieuw in ballingschap gedreven werd door de Romeinen, dat Joodse volk uit de stammen van Juda, Benjamin en Levi, dat woont sinds 1948 weer in het land der vaderen.

Abonneer dan nu op onze nieuwsbrief

en ontvang deze in jouw mailbox!

Abonneer nu!

Meer informatie

>